Rechtspraak
werkgever/werkneemster
In de onderhavige zaak gaat het om de vraag of partijen op de voet van artikel 3 lid 1 EVO stilzwijgend hebben gekozen voor de toepasselijkheid van het Duitse recht op hun arbeidsovereenkomst en, zo nee, of het Nederlandse recht op grond van de verwijzingsregel van artikel 6 lid 2 aanhef en onder a EVO dan wel het Duitse recht op grond van de exceptieclausule van artikel 6 lid 2 slot EVO van toepassing is. Het hof heeft vastgesteld dat geen sprake kon zijn van stilzwijgende rechtskeuze en omdat werkneemster haar werkzaamheden gewoonlijk in Nederland verrichtte het Nederlandse recht van toepassing is. Werkgever beroept zich echter op het laatste deel van artikel 6 EVO ‘tenzij uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land’. Ter onderbouwing van zijn stelling beroept werkgever zich op het gegeven dat het salaris vóór de invoering van de euro in Duitse marken werd betaald, dat de werkgever een Duitse (rechts)persoon is, dat de pensioenvoorziening bij een Duitse pensioenverzekeraar is ondergebracht, dat werkneemster in Duitsland woont, dat de sociale premies in Duitsland worden betaald, dat in de arbeidsovereenkomst naar dwingendrechtelijke bepalingen uit het Duitse recht wordt verwezen en dat werkgever de reiskosten van werkneemster naar Nederland vergoedde.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Uit HvJ EU 15 maart 2011, nr. C-29/10, NJ 2011/246 (Koelzsch/Luxemburg) volgt dat artikel 6 lid 2 EVO zo dient te worden uitgelegd en toegepast dat een passende bescherming wordt geboden aan de werknemer, als de sociaal(-economisch) zwakste partij, en dat uit dien hoofde het gestelde onder a in dit tweede lid in relatie tot het daarin onder b gestelde ruim dient te worden uitgelegd. Op zichzelf ligt het voor de hand om ook in de verhouding tussen het gestelde onder a en het slot van het tweede lid, het gestelde onder a ruim uit te leggen. In de onderhavige zaak staat vast dat werkneemster ter uitvoering van de overeenkomst haar arbeid uitsluitend in Nederland verrichtte en dat haar dienstverband met werkgever langdurig is geweest (ruim elf jaren). Voorts dient in cassatie tot uitgangspunt dat het Nederlandse recht in het onderhavige geval een verdergaande bescherming biedt aan de werkneemster tegen de door de werkgever gehanteerde ‘Änderungskündigung’ dan het Duitse recht. Daar staat echter tegenover dat alle overige relevante aanknopingsfactoren wijzen op een verbondenheid met Duitsland: het salaris werd vóór de invoering van de euro in Duitse marken betaald, de werkgever is een Duitse (rechts)persoon, de pensioenvoorziening is bij een Duitse pensioenverzekeraar ondergebracht, werkneemster woonde tijdens haar dienstverband in Duitsland en haar reiskosten voor woon-werkverkeer naar Nederland werden vergoed door werkgever, de sociale premies werden in Duitsland betaald, en in de arbeidsovereenkomst wordt verwezen naar dwingendrechtelijke bepalingen uit het Duitse recht. Indien in een dergelijk geval steeds moet worden aangenomen dat, op grond van de werknemerbeschermende strekking van artikel 6 lid 2 EVO, het recht van toepassing is van het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, als bedoeld in artikel 6 lid 2 onder a EVO, verliest de exceptieclausule aan het slot van artikel 6 lid 2 EVO betekenis. Naar het oordeel van de Hoge Raad kan de juistheid van deze conclusie niet buiten gerede twijfel worden aangenomen. In het licht hiervan ziet de Hoge Raad aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Volgt aanhouding van de zaak.