Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam, 16 maart 2012
ECLI:NL:GHAMS:2012:BV9235
Ondernemingsraad van de Politieregio Flevoland/Politieregio Flevoland
In december 2007 is het rapport ‘Algemene Doorlichting Rampenbestrijding, de stand van zaken 2003-2007’, opgesteld door de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid van het ministerie van Veiligheid en Justitie (IOOV), verschenen. Op grond van dit rapport moet geconcludeerd worden dat de gemeenschappelijke meldkamer (GMK) van Flevoland, evenals die van Gooi en Vechtstreek, bij een crisis, ramp of grootschalig optreden nauwelijks in staat zijn om zelfstandig te voldoen aan de minimumeisen die gelden voor een meldkamer ‘met een volwaardige meld- en opschalingsfunctie’, zoals deze beide meldkamers. Sindsdien is het samenvoegen van deze twee meldkamers met het oog op de noodzakelijke kwaliteitsverbetering voorwerp van overleg geweest. Bij brief van 15 augustus 2011 heeft Politieregio Flevoland tezamen met Politieregio Gooi en Vechtstreek aan de beide betrokken ondernemingsraden advies gevraagd over de samenvoeging van de beide meldkamers op de locatie Naarden. Tijdens een overlegvergadering van 27 oktober 2011 heeft koprschef Woelders aan de ondernemingsraad meegedeeld dat het niet langer de bedoeling was om de meldkamers op de locatie Naarden samen te voegen en dat het thans de bedoeling was dat de beide meldkamers op die locatie zouden samenwerken. De ondernemingsraad heeft vervolgens gemeld dat hem geen schriftelijk ‘wijzigingsverzoek’ is gedaan in de zin van de WOR. Voorts heeft de ondernemingsraad erop gewezen dat de korpschef niet is ingegaan op het eerdere negatieve advies en heeft hij zijn twijfels uitgesproken over de zorgvuldigheid waarmee is gekozen voor de locatie Naarden. Nadat vanuit het ministerie opnieuw op actie is aangedrongen, heeft Woelders de ondernemingsraad bij brief van 15 december 2011 bericht te hebben besloten ‘tot het realiseren van één meldkamer te Naarden en tot de daarmee gepaard gaande investeringen’ en de standplaats van de Flevolandse medewerkers te wijzigen van Lelystad in Naarden. Tegen dit besluit keert de ondernemingsraad zich met een drietal klachten: (a) Het besluit tot samenwerking is feitelijk een besluit tot samenvoeging van de gemeenschappelijke meldkamers zodat op grond van hoofdstuk VII.b van het Besluit algemene rechtspositie politie (BARP) een rol is weggelegd voor de Commissie voor georganiseerd overleg in politie- en ambtenarenzaken. Deze rol is veronachtzaamd. (b) Niet valt in te zien op grond waarvan vooruitlopend op de besluitvorming met betrekking tot Operationeel Centrum Midden Nederland (OCMNL) nu haast moet worden gemaakt en hoge kosten moeten worden gemaakt, terwijl er ook minder ingrijpende en minder kostbare oplossingen voorhanden lijken te zijn. (c) Politieregio Flevoland heeft de afwijking van het advies niet adequaat gemotiveerd en op diverse punten onduidelijkheid laten bestaan.
De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. Anders dan de ondernemingsraad meent is geen sprake van ‘samenvoeging’ in de zin van het BARP. De Ondernemingskamer stelt vast dat de regeling van hoofdstuk VII.b BARP gelet op de inhoud ervan in het bijzonder betrekking heeft op reorganisaties die leiden tot ontslag, wijziging van functies, herplaatsing en dergelijke. Gelet daarop en op de omstandigheid dat het besluit in zijn gewijzigde vorm in ieder geval dergelijke gevolgen niet (langer) beoogt, is het niet onaannemelijk en evenmin onbegrijpelijk, dat Politieregio Flevoland gemeend heeft dat de bonden haar opvatting, dat het hier niet (langer) om een reorganisatie in de zin van voormelde regeling ging, deelde, althans aan het desbetreffende overleg geen behoefte meer had. Dit betekent dat de omstandigheid dat dat overleg niet heeft plaatsgevonden in het kader van deze procedure niet aan Politieregio Flevoland kan worden tegengeworpen.
De verwijten dat het advies en de afwijkingen daarvan onvoldoende zijn gemotiveerd, zijn evenwel gegrond. De Politieregio Flevoland heeft onvoldoende duidelijk uiteenzetting gegeven welke verbetering het besluit oplevert ten aanzien van de geconstateerde ‘kwetsbare situatie’ en op welke wijze het besluit ertoe leidt dat meer wordt voldaan aan de aan een meldkamer gestelde wettelijke eisen en normen. Evenmin is in die documenten een afweging te vinden tussen enerzijds het voordeel van de beoogde verbeteringen en anderzijds het nadeel van twee binnen betrekkelijk korte tijd, rond twee of drie jaar, op elkaar volgende operaties, te weten de verhuizing van meldkamer Lelystad naar Naarden met het oog op de samenwerking, en vervolgens de verhuizing van de aldus samenwerkende meldkamers evanals die te Utrecht naar – zo lichtte Politieregio Flevoland ter terechtzitting toe – een gezamenlijke nieuwe meldkamer te Zeewolde. Daarbij komt nog het volgende. Weliswaar kan de brief van 11 november 2011 worden aangemerkt als een adviesaanvraag ten aanzien van het gewijzigde besluit (samenwerking in plaats van samenvoeging), maar een behoorlijke uiteenzetting wat die wijziging precies inhoudt en wat de beweegredenen zijn, ontbreekt. De Politieregio Flevoland is daarmee ernstig tekortgeschoten in haar motiveringsplicht. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat Politieregio Flevoland bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. De Ondernemingskamer zal Politieregio Flevoland bevelen het besluit in te trekken en verbieden om handelingen te verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van het besluit. Ter terechtzitting heeft Politieregio Flevoland zich erop beroepen dat de meldkamer te Naarden in de loop van dit jaar operationeel moet zijn en dat ‘de veiligheidsbelangen (…) evident (zijn) en (dat) er veel derde partijen betrokken (zijn) bij deze zaak’. Over het gewicht van de betrokken belangen kan inderdaad geen twijfel bestaan. Des te sterker doet het tekort zich gevoelen dat deze niet adequaat zijn afgewogen als hierboven is overwogen.