Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/X Personeelsdiensten B.V.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 maart 2012
ECLI:NL:GHLEE:2012:BV9642

werkneemster/X Personeelsdiensten B.V.

Enkele feit dat in considerans van vaststellingsovereenkomst een arbeidsomvang van 80 uur per maand is vermeld, brengt niet met zich dat de werkgever het ‘te veel betaalde loon’ mag verrekenen. Uitleg vaststellingsovereenkomst

Werkneemster is sinds 2005 als beveiligingsmedewerker in dienst van werkgever op basis van een oproepovereenkomst. Zij werkte gemiddeld 80 uur per maand. Werkneemster heeft zich per 22 juni 2008 ziek gemeld met klachten die verband hielden met haar zwangerschap. Het UWV heeft haar gedurende de periode van 22 juni 2008 tot 6 juli 2009 een uitkering op grond van de Ziektewet verstrekt. Het UWV heeft gedurende deze periode een uitkering betaald die was gebaseerd op een hoger aantal uren dan 80 uren per maand. Ook is het UWV van een ander dagloon uitgegaan dan het dagloon dat werkgever bij arbeidsongeschiktheid behoefde te betalen. Werkneemster is in augustus opnieuw uitgevallen en heeft niet meer gewerkt. Werkgever heeft vervolgens het (te hoge) loon gelijk aan de UWV-uitkering betaald tot en met december 2009. De verhouding tussen partijen is verstoord geraakt en zij zijn overeengekomen de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De daartoe gesloten vaststellingsovereenkomst is schriftelijk vastgelegd en door partijen op 19 januari 2010 ondertekend. In deze vaststellingsovereenkomst is onder meer in de considerans bepaald dat werkneemster 80 uur per maand werkt. Bij de eindafrekening heeft werkgever het te veel betaalde loon verrekend met de nog openstaande loonbetalingen. Volgens werkneemster mag de vaststellingsovereenkomst niet aldus worden uitgelegd dat uit de vermelding ‘80 uur per maand’ volgt dat het meerdere zal worden verekend. De kanonrechter heeft haar vorderingen afgewezen.

Het hof oordeelt als volgt. Het stelt voorop dat de vraag wat tussen partijen ter zake van de verrekening van in 2009 te veel betaald salaris heeft te gelden, niet enkel kan worden beantwoord op grond van de taalkundige uitleg van de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst. Het komt immers steeds aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zgn. Haviltex-maatstaf). Nu de door partijen gemaakte afspraken schriftelijk zijn vastgelegd, is in praktisch opzicht de taalkundige betekenis die de bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijke verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift wel van groot belang (HR 20 april 2004, LJN AO1427, NJ 2005, 493). In dit verband overweegt het hof dat de vaststellingsovereenkomst is gesloten in het kader van de beëindiging van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. Uit de tekst van de overeenkomst is niet af te leiden wat partijen over het al dan niet verrekenen van het in 2009 te veel door werkgever betaalde salaris zijn overeengekomen. Er moet van worden uitgegaan dat partijen ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst ermee bekend waren dat werkgever in 2009 te veel salaris aan werkneemster had betaald. Wel blijkt uit de stellingen van partijen dat het hun ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet bekend was om welk bedrag het ging. Het hof overweegt volledigheidshalve dat niet is gebleken dat werkneemster een verwijt te maken valt van het feit dat werkgever haar in 2009 te veel salaris heeft betaald. Eveneens is van belang dat vaststaat dat werkgever tijdens de onderhandelingen die aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst vooraf zijn gegaan, nimmer heeft ingebracht dat zij het in 2009 te veel betaalde loon wilde verrekenen met het aan werkneemster na december 2009 tot het einde van het dienstverband toekomende salaris. Dat betekent dat uit de tussen partijen gevoerde onderhandelingen niet kan worden afgeleid wat hun omtrent het al dan niet verrekenen van in 2009 te veel betaald salaris voor ogen heeft gestaan. Uit het enkele feit dat partijen in de considerans van de vaststellingsovereenkomst hebben opgenomen dat moet worden uitgegaan van een arbeidsomvang van 80 uren per maand, kan zonder verdere toelichting, die ontbreekt, niet worden afgeleid dat partijen daarmee tevens hebben beoogd de arbeidsomvang gedurende de periode juli tot en met november 2009 dienovereenkomstig vast te stellen met daarbij de gehoudenheid van werkneemster het te veel betaalde salaris terug te betalen. De vordering van werkneemster wordt derhalve alsnog toegewezen.