Rechtspraak
werknemer/Krediet Specialist Nederland
Werknemer is op 1 december 2007 in dienst getreden van Krediet Specialist Nederland (KSN) voor de duur van zes maanden. Op 31 maart 2008 bericht KSN dat partijen met wederzijds goedvinden per 1 april 2008 de arbeidsovereenkomst beëindigen. Volgens werknemer is dit niet het geval. Werknemer vordert loon. De kantonrechter heeft de vraag of de arbeidsovereenkomst is blijven bestaan bevestigend beantwoord. De loonvordering is evenwel afgewezen voor zover de werknemer zich niet bereid heeft verklaard de werkzaamheden te verrichten. Werknemer is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. KSN heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hof heeft in hoger beroep overwogen dat vanwege de devolutieve werking van het appèl eerst dient te worden beoordeeld of in de litigieuze periode wel een arbeidsovereenkomst bestond tussen partijen. Naar het oordeel van het hof is KSN geslaagd in het bewijs dat dit niet het geval was, waardoor het vonnis werd bekrachtigd. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in cassatie. Volgens werknemer heeft het hof de devolutieve werking van het appèl miskend, omdat KSN geen incidenteel beroep had ingesteld.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Doordat KSN geen incidenteel beroep heeft ingesteld – ook niet voorwaardelijk – tegen het vonnis van de kantonrechter voor zover daarbij de vordering van werknemer is toegewezen, is dat vonnis in zoverre in kracht van gewijsde gegaan met als gevolg dat het oordeel van de kantonrechter, waarop die toewijzing berust, dat in de gehele periode van 20 november 2007 tot 20 mei 2008 tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan, onherroepelijk werd en gezag van gewijsde verkreeg dat in een ander geding tussen de partijen zou kunnen worden ingeroepen (artikel 236 Rv). In een zodanig geval kan met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige onherroepelijke rechterlijke uitspraken, niet worden aanvaard dat in een door de appellant tegen het voor hem ongunstige gedeelte van het dictum ingestelde hoger beroep het primaire verweer van de geïntimeerde op grond van de hoofdregel van de devolutieve werking opnieuw zou kunnen (en moeten) worden beoordeeld, zonder dat de geïntimeerde incidenteel appèl heeft ingesteld – ook niet voorwaardelijk – tegen het voor hem ongunstige, op de verwerping van zijn verweer berustende gedeelte van het dictum teneinde te voorkomen dat dit gedeelte van het dictum in kracht van gewijsde gaat en de daaraan ten grondslag liggende beslissing van de eerste rechter gezag van gewijsde verkrijgt. Onbeperkte toepassing van de genoemde hoofdregel van de devolutieve werking zou immers tot gevolg kunnen hebben dat – zoals in deze zaak is gebeurd – de appèlrechter over hetzelfde geschilpunt een ander oordeel bereikt dan de eerste rechter, zodat na het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak van de appèlrechter met betrekking tot dat geschilpunt twee tegenstrijdige onherroepelijke rechterlijke beslissingen met gezag van gewijsde zouden bestaan.