Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 maart 2012
ECLI:NL:GHLEE:2012:BW0021
werknemer/Nord Notarissen B.V.
Werknemer is in 1973 als notarisklerk in dienst getreden bij (een rechtsvoorganger van) Nord, en bekleedde laatstelijk de functie van boekhouder. Nord is een in 2006 gestart samenwerkingsverband van verschillende notarissen die op een aantal vestigingen in Friesland en Overijssel kantoor houden. Werknemer was werkzaam in de vestiging Leeuwarden in een pand aan de Druifstreek, waarin laatstelijk de notarissen X en Y kantoor hielden. Het samenwerkingsverband in de top van Nord is in decmeber 2007 uiteengevallen. Besloten is dat X zelfstandig verder zou gaan met zijn personeelsleden. Y en anderen bleven onder de naam Nord verder opereren. Werknemer heeft zich in januari ziek gemeld. X is wegens arbeidsongeschiktheid opgenomen in het ziekenhuis. Nadat de salarisbetalingen van de werknemers werkzaam voor X in januari uitbleven, heeft de vrouw van X aan werknemer verzocht het salaris alsnog uit te betalen. Werknemer is daartoe na sluitingstijd het kantoor van Nord binnengetreden om de salarisbetalingen in orde te maken. Hij heeft geconstateerd dat op de kantoorrekening onvoldoende saldo stond voor de uitbetaling van de salarissen, waarna hij eerst € 20.000 van de kwaliteitsrekening heeft overgeboekt naar de kantoorrekening en vervolgens de betaalopdrachten voor de salarissen heeft verstrekt. Bij brief van 1 februari 2008, ondertekend door Y namens Nord, is werknemer op staande voet ontslagen wegens het herhaaldelijk niet voldoen aan betalingsopdrachten van Y in de eerste helft van januari 2008, het tegenwerken van de nieuwe huisaccountant, het in de stad lopen na ziekmelding, het niet afgeven van gevraagde codes en het ’s avonds op 28 januari 2008 aanwezig zijn in het pand. Werknemer heeft de nietigheid ingeroepen. Op 21 februari 2008 heeft Nord werknemer voorwaardelijk op staande voet ontslagen, omdat haar toen bekend is geworden dat werknemer op 28 januari 2008 ongeautoriseerde transacties heeft verricht. Bij brief van 6 maart 2008 is namens werknemer de rechtsgeldigheid van dit ontslag betwist omdat een voorwaardelijk ontslag op staande voet juridisch niet kan en omdat er geen dringende reden is.
Het hof oordeelt als volgt. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat een tweede (voorwaardelijke) ontslag op staande voet in beginsel kan, indien sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Daarvan is ook in dit geval sprake. Of deze feiten en omstandigheden op zichzelf genomen een dringende reden vormen is een tweede. Het hof stelt voorop dat de bewijslast van de dringende reden voor ontslag op Nord rust. Voor zover Nord aan werknemer het verwijt maakt dat hij ongeautoriseerd betalingen heeft gedaan, wordt dat verwijt gepareerd met een beroep op de opdracht die werknemer van X kreeg via zaakwaarneming door diens echtgenote. Nord heeft niet gesteld dat X onbevoegd was tot het geven van de opdracht salarisbetalingen te verrichten en dat werknemer dit wist of moest weten. Dit onderdeel van het verwijt is daarom niet terecht. Daarmee staat evenwel niet vast dat de wijze waarop werknemer de opdracht heeft uitgevoerd, met name door daarvoor geld van de kwaliteitsrekening te halen, juist is. Naar het oordeel van het hof noemt Nord het onbevoegd afboeken van gelden van de kwaliteitsrekening terecht een doodzonde, gelet op het in het notariaat te stellen vertrouwen. Daarbij neemt Nord het werknemer kwalijk dat hij hierover gezwegen heeft. Voor de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet dienen evenwel alle omstandigheden van het geval te worden afgewogen. Daarbij mag niet alleen worden gelet op de aard en de ernst van de aan de werknemer verweten gedraging, maar moeten ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, worden betrokken. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag voor hem zal hebben (HR 12 februari 1999, LJN ZC2849). Naar het oordeel van het hof brengen deze omstandigheden met zich (35 jaar in dienst, 55-jarige leeftijd, verrichte de gewraakte handelingen in opdracht van X) dat geen sprake is van een dringende reden.