Rechtspraak
Rechtbank Gelderland, 23 maart 2012
ECLI:NL:RBARN:2012:BW0206
werknemer/Stichting Katholieke Universiteit
Werknemer is als hoogleraar in dienst van de Stichting Katholieke Universiteit Nijmegen (SKU) en werkzaam voor het UMC St. Radboud. Werknemer is op 29 september 2008 op staande voet ontslagen nadat is komen vast te staan dat hij in strijd met de daarvoor geldende regels buitensporig veel declaraties heeft ingediend voor niet-werkgerelateerde activiteiten (onder meer first class tickets naar zijn familie in Boston, declaraties van zijn advocaat en ondefinieerbare declaraties). Werknemer stelt zich op het standpunt dat dit ontslag nietig is en vordert nakoming van de eerder tussen partijen opgestelde vaststellingsovereenkomst waarin partijen per 1 oktober 2008 met wederzijds goedvinden uiteen zouden gaan onder toekenning van een vergoeding aan werknemer. SKU stelt zich op het standpunt dat de vaststellingsovereenkomst vernietigd dient te worden wegens dwaling.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit alle processtukken volgt dat werknemer meermalen kosten in rekening heeft gebracht bij SKU in de wetenschap dat hij geen aanspraak op vergoeding van deze kosten had. Werknemer heeft zodoende in ernstige mate het vertrouwen dat SKU in hem had geschonden. Een dergelijk handelen is niet verenigbaar met een arbeidsovereenkomst, waarin partijen zich als goed werkgever respectievelijk goed werknemer naar elkaar moeten gedragen. Dit geldt temeer nu werknemer als hoogleraar en afdelingshoofd een voorbeeldfunctie vervulde. Deze feiten, zowel op zich als tezamen, hebben tot gevolg dat van SKU na ontdekking van deze feiten redelijkerwijs niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De persoonlijke omstandigheden van werknemer, waarbij hij zich beroept op de schade aan zijn naam en reputatie door het ontslag op staande voet en het feit dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 oktober 2008 zou eindigen, leiden niet tot een ander oordeel, gezien de aard en de ernst van de dringende reden.
Met betrekking tot de nakoming van de vaststellingsovereenkomst oordeelt de kantonrechter als volgt. Allereerst stelt de kantonrechter vast dat de overeenkomst geen vaststellingsovereenkomst ex artikel 7:900 BW is. Partijen hebben in het kader van een reorganisatie een beëindiging met wederzijds goedvinden per 1 oktober 2008 afgesproken onder toekenning van een vergoeding ad € 400.000 bruto. Nu de arbeidsovereenkomst door het ontslag op staande voet reeds per 29 september 2008 rechtsgeldig is geëindigd, is een beïndiging met wederzijds goedvinden per 1 oktober 2008 door middel van de beëindigingsovereenkomst niet meer aan de orde. Aan het beroep van SKU op vernietiging, althans ontbinding van de beëindigingsovereenkomst wordt dan ook niet toegekomen. Dit betekent dat de conventionele vorderingen voor zover betreffende nakoming van de beëindigingsovereenkomst als ongegrond worden afgewezen. Hetzelfde geldt ook voor de conventionele schadevordering, gebaseerd op verzuim in de nakoming van meergenoemde overeenkomst en handelen in strijd met artikel 7:611 BW.
Met betrekking tot de vorderingen van SKU in reconventie oordeelt de kantonrechter als volgt. Werknemer dient in totaal € 177.888,16 aan SKU te betalen voor ten onrechte gedeclareerde bedragen. Dat deze bedragen aanvankelijk zijn gefiatteerd doet niet ter zake, omdat werknemer wist dat hij deze bedragen niet had mogen declareren.