Rechtspraak
werkneemster/werkgeefster
Werkneemster is werkzaam als inventory & logistics manager. Besloten is de activiteiten op het gebied van logistiek in Weesp over te dragen aan de logistieke afdeling in Gorredijk. De reistijd voor werkneemster naar Gorredijk bedraagt drie uur en zestien minuten enkele reis. Onduidelijk is welke functie werkneemster precies gaat vervullen in Gorredijk. Ze weigert haar werkzaamheden voortaan in Gorredijk te verrichten. Op 4 januari 2012 heeft werkgeefster een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV. Bij brief van 27 februari 2012 heeft werkgeefster met gebruikmaking van de ontslagvergunning de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen het eind van de maand met ingang van 1 maart 2012. Thans verzoekt werkneemster ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Zij stelt dat ze er door het voorstel van werkgeefster gemiddeld € 600 netto per maand op achteruit gaat. Ten aanzien van de opzegging is sprake van misbruik van recht en van onbehoorlijk en onrechtmatig handelen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Aan de opzegging tegen 1 maart 2012 komt geen rechtskracht toe, omdat sprake is van misbruik van bevoegdheid en strijd met het goed werkgeverschap. Anders dan werkgeefster kennelijk meent, heeft zij niet het recht om onregelmatig op te zeggen. Het enkele feit dat de wet de rechtsgevolgen van onregelmatige opzegging regelt, betekent niet dat de wetgever voor willens en wetens onregelmatig opzeggen een basis heeft willen bieden. De reden die werkgeefster opgeeft voor die opzegging overtuigt ook niet. Het is duidelijk dat werkgeefster niet de wettelijke opzegtermijn in acht heeft genomen om vaststelling van een vergoeding in deze ontbindingsprocedure te blokkeren en daarmee werkneemster te dwingen om een tweede procedure te entameren op de voet van artikel 7:681 BW. Dit terwijl de bedrijfsverplaatsing evident in de risicosfeer van werkgeefster ligt en over het functioneren van werkneemster geen enkele klacht naar voren is gekomen, zodat toekenning van een vergoeding zonder meer te verwachten was. Anders dan werkgeefster betoogt, ziet de kantonrechter ook geen wezenlijk verschil tussen de onderhavige opzegging en de tweede opzegging waarvan sprake was in de zaak Van Hooff Elektra (LJN BJ9069). De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden onder toekenning van de door werkneemster verzochte vergoeding van € 41.651 bruto.