Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Y c.s.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 april 2011
ECLI:NL:RBMID:2011:BW0656

werknemer/Y c.s.

Beroep op wilsgebreken na beëindiging arbeidsovereenkomst om eigen bedrijf op te starten afgewezen

Werknemer is als ontwikkelingsmanager in dienst van Y. Werknemer en Z hebben afgesproken als zelfstandig ondernemer een bedrijf op te richten dat zich bezighoudt met de aankoop en verkoop van woningen en kavels. De arbeidsovereenkomst is per 1 oktober 2008 beëindigd. Tot gezamenlijke bedrijfsactiviteiten van werknemer en Z in het kader van de BV en tot gezamenlijke financiering daarvan is het niet gekomen. Werknemer beroept zich op de nietigheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op grond van dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden.

Naar het oordeel van de kantonrechter slaagt het beroep op dwaling en bedrog niet. Onvoldoende is gebleken dat bij het sluiten van de beëindigingsovereenkomst, Z (wiens wetenschap kan worden toegerekend aan Y) wist of behoorde te weten dat de gemaakte afspraken tot participatie in de BV en tot gezamenlijke financiering  niet zou worden nagekomen. Aan het beroep op dwaling doordat beide partijen zijn uitgegaan van dezelfde onjuiste veronderstelling legt werknemer ten grondslag dat beide ervan zijn uitgegaan dat een bedrag van € 200.000 per persoon aan financiering voor de BV voldoende zou zijn. Uit een besprekingsverslag blijkt echter dat werknemer en Z het voor mogelijk hielden dat dit bedrag onvoldoende zou zijn. Er is dus geen sprake van een onjuiste veronderstelling, waardoor het beroep op dwaling faalt. Het beroep op misbruik van omstandigheden is ongegrond. Ook het beroep op onrechtmatige daad faalt. Het voorspiegelen van een rooskleurige toekomst is niet onrechtmatig en werknemer moet gezien zijn functie ook (geacht worden) op de hoogte (te) zijn geweest van de risico’s van het ondernemerschap. Volgt afwijzing van de vorderingen.