Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/AAF International BV c.s.
Rechtbank Noord-Nederland, 4 april 2012
ECLI:NL:RBASS:2012:BW5487

werknemer/AAF International BV c.s.

Werknemer heeft niet op ondubbelzinnige wijze afstand gedaan van de hem toegekende VUT-rechten en maakt hier tot zijn pensioengerechtigde leeftijd aanspraak op. Dit brengt tevens mee dat zijn arbeidsovereenkomst met AAF International eindigt

Werknemer (63 jaar) is sinds 1974 in dienst van AAF International.  AAF International kent een VUT-regeling voor haar personeelsleden. In de voorwaarden is vastgelegd dat de uitkering 70% van het bruto jaarsalaris bedraagt. De VUT-gerechtigde mag gedeeltelijk bij AAF International blijven werken om zo zijn VUT-uitkering aan te vullen tot maximaal 100% van het laatstverdiende salaris.  De Stichting voert de VUT-regeling uit. Werknemer heeft om toetreding tot de VUT verzocht. Het verzoek is gehonoreerd en bevestigd bij brief van 3 januari 2011 met toetreding tot de VUT van werknemer per 1 maart 2011. Na de ontvangen toezegging heeft werknemer aangegeven dat hij, nadat de VUT zal zijn ingegaan, bij AAF International voor maximaal 30% wilde blijven werken. In februari, maart en april 2011 hebben hierover diverse gesprekken plaatsgevonden tussen de betrokkenen. Vanaf 1 maart 2011 is werknemer op zijn werk verschenen, heeft (tot op heden) werkzaamheden verricht en daarvoor zijn reguliere salaris ontvangen. Bij brief van 18 april 2011 schrijft de secretaris van de Stichting dat niets meer van werknemer is vernomen en dat zijn VUT-rechten zijn vervallen. Werknemer heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Thans vordert werknemer betaling van de VUT-uitkering vanaf 1 maart 2011 tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.  De vordering van werknemer om uitvoering te geven aan de VUT-regeling houdt tevens een einde van de arbeidsovereenkomst tussen hem en AAF International in. In zoverre heeft de vordering een onherstelbaar karakter en dient er een belangenafweging plaats te vinden. Namens AAF c.s. is ter zitting erkend dat werknemer niet expliciet afstand heeft gedaan van zijn reeds toegekende VUT-rechten. AAF c.s. had uit het enkel stilzwijgen van werknemer niet voetstoots mogen aannemen dat deze zijn al toegekende VUT-rechten prijsgaf. Om afstand van aanspraken door werknemer aan te kunnen nemen, moet sprake zijn van een expliciete en ondubbelzinnige wilsverklaring. Deze ontbreekt. Van AAF c.s. als werkgever dan wel VUT-instantie mag worden verwacht dat zij onderzoekt of de door AAF c.s. aangenomen stilzwijgende verklaring van werknemer in overeenstemming is met diens werkelijke wil. Voldoende aannemelijk is geworden dat de bodemrechter, later oordelende, tot het oordeel zal komen dat werknemer geen afstand heeft gedaan van zijn VUT-aanspraken. Werknemer maakt dus aanspraak op de VUT-uitkeringen tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd. Tot zover wordt de vordering toegewezen. De voorzieningenrechter wijst de vordering af voor zover die ziet op de VUT-uitkeringen vanaf 1 maart 2011 tot heden. Werknemer heeft over deze periode werkzaamheden verricht en salaris ontvangen. Toekenning met terugwerkende kracht van de uitkering over de periode waarover hij ook zijn reguliere salaris heeft ontvangen leidt tot dubbele inkomsten. De onderhavige procedure leent zich niet voor onderzoek naar de vraag of werknemer daar aanspraak op maakt.