Rechtspraak
Connexxion Taxi Services B.V./werknemer
Werknemer is als chauffeur in dienst van Connexxion. In februari 2007 heeft werknemer zich ziek gemeld met klachten aan zijn arm. Connexxion heeft bij brief van 18 juli 2007 werknemer meegedeeld dat de salarisbetalingen aan hem worden opgeschort, omdat hij – ondanks het feit dat de bedrijfsarts hem daartoe in staat acht – weigert vervangende werkzaamheden te verrichten. Met toestemming van het CWI is de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2008 opgezegd, omdat werknemer zijn re-integratie-verplichtingen niet nakomt. Werknemer heeft vervolgens een ZW-uitkering gevraagd, welke hem aanvankelijk werd geweigerd, maar later alsnog is toegewezen. De bezwaarverzekeringsarts (in het kader van de ZW) oordeelde in 2009 dat de verzekeringsarts in 2007 waarschijnlijk had geoordeeld - indien gevraagd - dat sprake was van arbeidsongeschiktheid en geen schending van re-integratieverplichtingen door werknemer. De kantonrechter heeft de loonvordering (€ 22.973) van werknemer toegewezen. In hoger beroep stelt Connexxion zich op het standpunt dat werknemer niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden, wegens het ontbreken van een deskundigenoordeel ex artikel 7:629a BW.
Het hof oordeelt als volgt. De aard en strekking van de vereiste second opinion laat zich er in beginsel niet mee verenigen dat de werknemer enerzijds de aanvraag van een deskundigenoordeel achterwege laat, maar anderzijds wel achteraf bij de rechter aanspraak maakt op loondoorbetaling ex artikel 7:629 BW. De werkgever heeft aldus niet de gelegenheid eventueel (alsnog) adequaat te reageren wanneer de deskundige tot een ander oordeel komt dan een door de werkgever ingeschakelde verzekeringsarts – bijvoorbeeld door een aanpassing te maken in de voorgestelde passende arbeid –, zodat de met het wetsartikel beoogde efficiëntieslag niet wordt gemaakt. In die zin maakt de second opinion als bedoeld in artikel 7:629a deel uit van de dynamiek van een re-integratieproces tussen werkgever en werknemer. Niet alleen de inhoud van het deskundigenoordeel, maar ook het moment waarop dit oordeel aan partijen ter beschikking komt, is derhalve van belang. Doordat werknemer heeft nagelaten de second opinion aan te vragen, heeft de hiervoor bedoelde dynamiek in casu geen doorgang kunnen vinden. Bovendien is het hof – anders dan de kantonrechter – van oordeel dat met de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts, de heer X (hierna: arts), niet wordt voldaan aan het doel en de strekking van artikel 7:629a BW. De arts beantwoordt in het rapport niet, althans onvoldoende gemotiveerd, de aan de rechter voorgelegde vragen in het kader van de te maken beoordeling op grond van artikel 7:629 BW. In het bijzonder laat de arts na zijn stelling te onderbouwen dat werknemer in juli 2007 verhinderd was om de hem in het kader van zijn klachten voorgestelde passende arbeid te verrichten. De enkele constatering dat de later gestelde diagnoses de klachten van werknemer kunnen verklaren, volstaat daartoe niet, omdat hiermee nog niet is vastgesteld dat en waarom de door Connexxion voorgestelde passende werkzaamheden op dat moment niet daadwerkelijk passend waren.