Rechtspraak
werkneemster/Tandartspraktijk X
Werkneemster is op 1 juli 2006 in dienst getreden van werkgever. Op 18 juli 2007 heeft werkgever de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd. Sindsdien heeft werkneemster niet meer voor werkgever gewerkt. Werkneemster heeft bij brief van 17 augustus 2007 de nietigheid van het ontslag ingeroepen, aanspraak gemaakt op doorbetaling van salaris en meegedeeld dat zij zich beschikbaar bleef stellen om op eerste afroep haar werkzaamheden te verrichten. De arbeidsovereenkomst is bij beschikking van 16 april 2009 voorwaardelijk ontbonden onder toekenning van een vergoeding van € 1950. Werkneemster heeft in eerste aanleg loon gevorderd over de periode 18 juni 2007 tot 16 april 2009. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is en heeft de loonvordering, na matiging tot het in artikel 7:680a BW voorziene minimum, tot een bedrag van € 5850. Het hof heeft het appèl van werkneemster verworpen, stellende dat bij volledige toewijzing een wanverhouding zou ontstaan tussen de tijd waarover loon moet worden betaald en de tijd die werkneemster feitelijk voor werkgever heeft gewerkt. Tegen dit oordeel keert werkneemster zich in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De rechter is op grond van artikel 7:680a BW slechts bevoegd een vordering tot doorbetaling van loon die gegrond is op de vernietigbaarheid van de arbeidsovereenkomst te matigen, indien toewijzing in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Zoals de Hoge Raad in de arresten van 1 juni 1990, LJN AB7630, NJ 1990, 715; 30 oktober 1998, LJN ZC2761, NJ 1999, 268; 19 januari 2001, LJN AA9560, NJ 2001, 264 en 16 april 2010, LJN BL1532, NJ 2010, 228 reeds oordeelde, dient de rechter bij de uitoefening van deze bevoegdheid een mate van terughoudendheid te betrachten die met deze maatstaf strookt en van die terughoudendheid in zijn motivering te doen blijken, en dient hij alle bijzonderheden van het geval in aanmerking te nemen bij zijn oordeel omtrent de aanvaardbaarheid van de gevolgen van toewijzing van de vordering tot loondoorbetaling. Weliswaar oordeelt het hof dat bij toewijzing van de vordering een wanverhouding zou ontstaan tussen het tijdvak waarover loon moet worden betaald (bijna 22 maanden) en het tijdvak waarin werkneemster feitelijk voor werkgever heeft gewerkt (ruim een jaar), maar dit oordeel is onvoldoende om zijn beslissing te dragen. Het hof maakt immers niet duidelijk waarom in dit geval – waarin de werkgever eerst twintig maanden na het ontslag op staande voet waarvan de werknemer de nietigheid heeft ingeroepen, ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft verzocht – van een zodanige wanverhouding sprake is dat toewijzing van de vordering tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden en dat de vordering tot het in artikel 7:680a BW genoemde minimum van drie maanden moet worden gematigd.