Naar boven ↑

Rechtspraak

Taxicentrale Wolters B.V./werkneemster
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 juni 2012
ECLI:NL:GHLEE:2012:BW8942

Taxicentrale Wolters B.V./werkneemster

Opvolgend werkgeverschap vereist ‘zekere banden’ (toepassing HR 11 mei 2012, LJN BV9603). Overgang van Wmo-concessie is kapitaalintensieve sector en vereist derhalve overgang van activa

Werkneemster was als telefoniste werkzaam bij Connexxion op basis van tijdelijke arbeidsovereenkomsten. Nadat de vervoersconcessie aan De Vier Gewesten was gegund is werkneemster per 1 april in dienst getreden van Taxicentrale Wolters (die feitelijk werd belast met de uitvoering van deze concessie). Werkneemster stelt zich in deze procedure op het standpunt dat haar arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd bij Wolters zijn geconverteerd in onbepaalde tijd. Primair op grond van overgang van onderneming (artikel 7:662 jo. 7:668a lid 1 BW) en subsidiair op grond van artikel 7:668a lid 2 jo. lid 1 BW (opvolgend werkgeverschap). De kantonrechter heeft geoordeeld dat Wolters kan worden beschouwd als opvolgend werkgever in de zin van artikel 7:668a lid 2 BW. Tegen dit oordeel keert Wolters zich in hoger beroep.

Het hof oordeelt als volgt. Deze grieven zijn, gelet op de recente uitspraken van de Hoge Raad in zaken tussen Wolters en andere werknemers (HR 11 mei 2012, LJN BV9603 en HR 25 mei 2012, LJN BV9601), gegrond. Zoals uit die arresten volgt, dient bij de uitleg van artikel 7:668a lid 2 BW aansluiting te worden gezocht bij de maatstaf die de Hoge Raad heeft ontwikkeld voor de rechtsgeldigheid van een proeftijdbeding in geval van rechtsopvolging aan de zijde van de werkgever (HR 24 oktober 1986, LJN AC9537, NJ 1987, 293). Dit betekent dat aan de eis dat Wolters redelijkerwijs geacht moet worden ten aanzien van de verrichte arbeid de opvolger van Connexxion te zijn, in de regel is voldaan indien enerzijds de nieuwe overeenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden eist als de vorige overeenkomst, en anderzijds tussen Wolters en Connexxion zodanige banden bestaan dat het door Connexxion, op grond van haar ervaringen met werkneemster, verkregen inzicht in werkneesters hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan Wolters. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat werkneemster na indiensttreding bij Wolters dezelfde werkzaamheden is blijven verrichten voor dezelfde doelgroep als zij voorheen in dienst van Connexxion verrichtte, onvoldoende is om opvolgend werkgeverschap in de zin van artikel 7:668a lid 2 BW aan te nemen.

Ten aanzien van de primaire vordering (overgang van onderneming), oordeelt het hof als volgt. Volgens vaste rechtspraak is voor toepasselijkheid van de, op Richtlijn 2001/23/EG en haar voorlopers gebaseerde, bepalingen artikel 7:662 e.v. BW niet vereist dat er een rechtstreekse relatie tussen vervreemder en verkrijger is, en kan overdracht door een derde geschieden (zie o.a. het Temco-arrest, HvJ EG 24 januari 2002, JAR 2002/47). In dit geval is die derde de gemeente, die eerst heeft aanbesteed aan Connexxion en thans aan Wolters (vgl. HR 8 juni 2007, JAR 2007/213). Het hof sluit evenwel aan bij de opvatting van Wolters dat in casu sprake is van een kapitaalintensieve sector. Met beroep op het Finse bussenarrest (HvJ EG 25 januari 2001, JAR 2001/68) en het Sodexho-arrest (HvJ EG 20 november 2003, JAR 2003/298) betoogt Wolters dat, nu er geen materiële activa zijn overgedragen en een taxi-onderneming een belangrijke inzet van materieel en middelen vereist – en daarmee niet tot de arbeidsintensieve sector behoort – de eventuele eenheid niet haar identiteit heeft behouden. Het hof volgt Wolters in dit verweer.