Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 juli 2012
ECLI:NL:GHLEE:2012:BX1966

werkneemster/werkgever

Geen sprake van rechtsverwerking bij loonvordering overuren na einde dienstverband door stilzitten werkneemster. Administratieplicht werkgever. Inschaling werkneemster als bedrijfsleider

Werkneemster is van 1 februari 1996 tot en met 25 maart 2010 bij werkgever in dienst geweest in de functie van haarstylist 2. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Kappersbedrijf van toepassing. Tijdens het dienstverband heeft werkneemster uitbetaling van overuren verzocht. Werkgever heeft haar destijds te kennen geven geen geld te hebben voor het uitbetalen van overuren. Werkneemster heeft tijdens het dienstverband geen verdere acties ondernomen ondanks het feit dat haar vakbond daartoe bereid was. Thans vordert werkneemster 590 overuren en een toeslag wegens het tijdelijk waarnemen van de bedrijfsleider. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen.

Het hof oordeelt als volgt. Het enkele feit dat werkneemster haar aanspraak op uitbetaling van overuren heeft laten rusten tot het einde van haar dienstverband leidt niet zonder meer tot verval van haar rechten. De kantonrechter heeft het verlies van die aanspraak gemotiveerd door aan te nemen dat werkgever door dit stilzitten het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gekregen dat werkneemster haar aanspraken zou laten rusten en dat het daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat werkneemster die uren alsnog uitbetaald wil zien. Naar vaste rechtspraak is enkel stilzitten niet voldoende voor rechtsverwerking. Daarvoor zijn bijzondere omstandigheden vereist en de stelplicht daarvan rust op werkgever, die zich op rechtsverwerking beroept (o.a. HR 29 september 1995, NJ 1996, 89). Het hof heeft zodanige stellingen niet in het dossier aangetroffen. Wat de omvang van de loonvordering betreft constateert het hof dat een groot deel van de vordering bestaat uit niet-genoten vakantiedagen. Op de werkgever rust, gelet op artikel 7:641 lid 2 BW, de verplichting om gedurende de arbeidsovereenkomst de administratie van vakantiedagen bij te houden (HR 21 juni 1991, NJ 1991, 743). Nu van een door werkgever bijgehouden administratie niet is gebleken (anders dan wellicht de door werkneemster overgelegde presentiekaarten) en hij ook de door werkneemster gemaakte berekening, en de juistheid van de door haar bij akte in eerste aanleg overgelegde presentiekaarten, niet gemotiveerd heeft betwist, gaat het hof van die specificatie voor niet-genoten vakantiedagen uit (zie ook HR 12 september 2003, LJN AF8560). Wat de omvang van de overuren betreft is de blote ontkenning van de werkgever, evenals het verweer dat hij verschillende vestigingen had en daardoor geen zicht had op de exacte tijden van werkneemster onvoldoende omdat van een werkgever verwacht mag worden dat hij toezicht houdt.

Voor het antwoord op de vraag of werkneemster ook recht heeft op de toeslag wegens het verrichten van werkzaamheden als bedrijfsleider, acht het hof van belang dat aan alle functie-eisen uit het Functiehandboek is voldaan (zie ook Hof Leeuwarden 4 oktober 2011, LJN BT6599). Volgt aanhouding van de zaak voor bewijsvoering.