Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Exploitatie Muziekcentrum en Danstheater
Hoge Raad, 10 augustus 2012
ECLI:NL:HR:2012:BW8300

werkneemster/Stichting Exploitatie Muziekcentrum en Danstheater

Ontslag op staande voet caissière wegens verduistering rechtsgeldig ondanks vrijspraak in strafprocedure voor dezelfde feiten

(Cassatieberoep van AR 2010-0984) Werkneemster is op 26 april 1993 als kassamedewerkster in dienst getreden van de rechtsvoorgangster van Stichting Exploitatie Muziekcentrum en Danstheater (SEM). Op 19 februari 2004 is werkneemster op staande voet ontslagen wegens verduistering van kasgelden. Werkneemster zou als caissière zitplaatsen als 'niet verkocht' in het systeem opvoeren, terwijl in werkelijkheid de zitplaatsen wel waren verkocht. Het verschil hield werkneemster zelf achter. In hoger beroep heeft de politierechter werkneemster vrijgesproken van de haar ten laste gelegde verduistering in de strafvervolging. Werkneemster heeft vervolgens de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen en een loonvordering ingesteld tegen SEM. SEM heeft op haar beurt volledige schadevergoeding gevorderd ex artikel 7:677 jo. 7:680 BW. De vorderingen van werkneemster zijn in eerste en tweede aanleg afgewezen. De vordering van SEM is deels toegewezen. Werkneemster klaagt in cassatie onder meer over de feitelijkheden zoals die door het hof zijn vastgesteld alsook de lange duur tussen de constatering van de kasverschillen en aangifte bij de politie (14 februari) en het uiteindelijk verleende ontslag op 19 februari. Het hof rechtvaardigde dit tijdsverloop van vijf dagen door te wijzen op de hoor- en wederhoor van werkgever en het zorgvuldige onderzoek dat aan dit ontslag voorafging.

De Advocaat-Generaal (Wesseling-van Gent) concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. De meeste cassatieklachten worden op formele gronden verworpen (missen van feitelijke grondslag, niet voldoen aan de eisen die in cassatie worden gesteld of klacht van feitelijke aard welke zich niet voor cassatie leent).

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.