Rechtspraak
werknemer/werkgever
Werknemer is op 27 maart 1995 bij Merkenbureau in dienst getreden als juridisch medewerker. Op 12 mei 1999 is hij benoemd tot (tweede) statutair directeur van Merkenbureau. Enig aandeelhouder en tot dan toe enig statutair directeur van Merkenbureau was X Beheer B.V. Begin 2000 hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen werknemer en X Beheer B.V. om 50% van de aandelen over te nemen. Nadat X is overleden, zijn de zonen van X benoemd tot statutair directeur van X Beheer B.V. Na een mislukte koopovereenkomst inzake de aandelen, heeft X Beheer B.V. werknemer per direct geschorst wegens gebrek aan vertrouwen in de leidinggevende capaciteiten van werknemer. Werknemer heeft in reactie op deze schorsing bericht dat hij – indien de schorsing niet per 10 juli zou zijn opgeheven – ontslag op staande voet zou nemen. Werknemer heeft in eerste aanleg gefixeerde schadevergoeding en vergoeding wegens het mislopen van een ontbindingsvergoeding gevorderd op grond van artikel 7:611 BW. Volgens werknemer werd hij gedwongen ontslag op staande voet te nemen.
Het hof oordeelt als volgt. Werknemer heeft ook in hoger beroep zijn stelling dat de werkelijke reden voor de schorsing het vastlopen van de onderhandelingen over de overname van de aandelen in Merkenbureau was, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door X Beheer B.V., onvoldoende onderbouwd. Hij herhaalt in zijn memorie van grieven zijn zienswijze over de gang van zaken rond de onderhandelingen over de verkoop aan hem van de aandelen in (de aandeelhouder in) Merkenbureau maar betwist niet de juistheid van de notulen van de buitengewone aandeelhoudersvergadering van 1 mei 2002, waaruit blijkt dat het hem bekend was dat de aandeelhouder in Merkenbureau een groot aantal bezwaren tegen zijn functioneren had en die bezwaren toen de onderhandelingen over de overname van de aandelen waren mislukt, een schorsing van werknemer in afwachting van nader onderzoek rechtvaardigden. Op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, heeft de rechtbank ook overwogen dat werknemer na de schorsing andere keuzes had dan ontslag te nemen. Merkenbureau is derhalve niet schadeplichtig door de wijze waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd. De vorderingen ter zake van inkomensschade en gemiste ontbindingsvergoeding zijn terecht afgewezen.