Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam, 20 december 2011
ECLI:NL:GHAMS:2011:BX7929
Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Bouwnijverheid/X
X (geboren in 1946) was op 1 januari 2006 statutair directeur en (enig) grootaandeelhouder van W.N. X & Zn B.V. gevestigd te Rotterdam. Deze vennootschap exploiteert een stratenmakersbedrijf. Bpf Bouw is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 en de Pensioenwet en is belast met de uitvoering van de pensioenregelingen in de bouw. Dga's waren tot 1 januari 2006 uitgesloten van deelname aan de ouderdomspensioenregeling van Bpf Bouw. Sedert die datum bestaat voor hen de mogelijkheid vrijwillig aan die regeling deel te nemen. Dga's waren tot 1 januari 2006 wel verplicht deel te nemen in de vroegpensioenregeling van Stichting Vroegpensioenfonds voor het UTA-personeel in het Bouwbedrijf (hierna: Vroegpensioenfonds) en in de VUT-regeling van Stichting Vrijwillig Vervroegde Uittreding voor het Uitvoerend, Technisch en Administratief personeel in het Bouwbedrijf (hierna: VUT-stichting). Deze regelingen tezamen gaven de deelnemers de mogelijkheid om op 62-jarige leeftijd op te houden met werken en een vroegpensioenuitkering (waarin begrepen een VUT-uitkering) te krijgen. Deze regelingen zijn met ingang van 1 januari 2006 afgeschaft, waarmee de verplichte deelneming is geëindigd. De gewezen deelnemers, die op dat tijdstip de leeftijd waarop ze voor een VUT-uitkering in aanmerking hadden kunnen komen, nog niet hadden bereikt, verloren hun rechten op die uitkering. Op 31 december 2005 opgebouwde rechten op vroegpensioen vervielen niet, maar verdere opbouw vond vanaf die datum niet meer plaats. Vroegpensioenfonds heeft de bij haar aangesloten dga's, werkzaam in de bouwnijverheid, een brief gedateerd maart 2006 doen toekomen, waarin wordt meegedeeld dat de bestaande vroegpensioen- en VUT-regelingen met ingang van 1 januari 2006 zijn vervallen omdat niet langer op een fiscaal vriendelijke manier vroegpensioen kan worden opgebouwd en dat de ouderdomspensioenregeling van Bpf Bouw zodanig is aangepast dat vervroegd uittreden mogelijk wordt. De dga's wordt in de brief de mogelijkheid geboden vrijwillig deel te nemen in de ouderdomspensioenregeling en de aanvullende regelingen (‘55’- en ‘55+’-regeling) van Bpf Bouw. De brief vermeldt ook de voorwaarden dat voor beide regelingen premie wordt betaald en dat aanmelding voor deelname aan de regelingen uiterlijk 1 mei 2006 (welke termijn overigens later is verlengd tot 1 augustus 2006) dient plaats te vinden. De centrale vraag is of X (tijdig) een beroep heeft gedaan op de nieuwe regelingen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat Bpf Bouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid uit de gedragingen van X had mogen afleiden dat hij een vrijwillige voortzetting vanaf 1 januari 2006 wenstte.
Het hof oordeelt als volgt. Anders dan de kantonrechter heeft overwogen, ligt in de tussen X en Vroegpensioenfonds in de periode van december 2005 tot en met 13 april 2006 gevoerde correspondentie geen verklaring van X besloten dat hij per 1 januari 2006 vrijwillig wilde deelnemen aan de in de brief van Bpf Bouw van maart 2006 aangeboden regeling. Niet alleen had Bpf Bouw die brief nog niet verzonden op het moment (december 2005) dat X te kennen gaf dat hij eventueel ingaande 1 april 2006 in het genot van een vroegpensioenuitkering gesteld wilde worden, maar bovendien betrof het aanbod in de brief van maart 2006 niet uitsluitend een deelname in een vroegpensioenregeling (zoals het aanbod waarop die correspondentie betrekking had) maar ook deelname in een ouderdomspensioen- en een vroegpensioenregeling, waarbij voor beide regelingen premie betaald zou moeten worden. Nu X uitdrukkelijk betwist dat hij de brief van maart 2006 heeft ontvangen, zal moeten worden onderzocht of Bpf Bouwgehouden is X alsnog toe te laten als vrijwillig deelnemer in de ouderdomspensioenregeling en de aanvullende regelingen van Bpf Bouw uitgaande van de situatie dat die brief hem destijds inderdaad niet heeft bereikt. De door Bpf Bouw in die brief aangeboden pensioenregeling was niet een (vrijwillige) voortzetting van de vroegpensioen- en VUT-regelingen waaraan X tot 1 januari 2006 verplicht deelnam. Die regelingen, die niet door Bpf Bouw maar door de VUT-Stichting en Vroegpensioenfonds werden uitgevoerd en waarvoor ook aan deze stichtingen premie verschuldigd was, voorzagen immers, anders dan de door Bpf Bouw aangeboden regeling, niet in een ouderdomspensioen en aanvullende (vroegpensioen)regelingen maar slechts in een vroegpensioen (waarin begrepen een VUT-uitkering) eindigende met het bereiken van de 65-jarige leeftijd. De dga's waren verplicht aan de oude (VUT- en vroegpensioen-)regelingen deel te nemen. Voor die deelneming was dus geen overeenkomst tussen de dga en de aanbieders van die regelingen noodzakelijk en de (verplichte) deelname eindigde met het einde van de verplichte deelname op 1 januari 2006 zonder dat opzegging vereist was. Bpf Bouw was daarom niet verplicht een aanbod als gedaan in de brief van maart 2006 aan de dga's te doen. Omdat Bpf Bouw niet verplicht was X het deelnemerschap in de nieuwe (vroeg)pensioenregelingen aan te bieden, behoefde zij de dga's niet te verplichten uitsluitsel te geven van hun keuze wel of niet deel te nemen, was zij ook gerechtigd een termijn te stellen voor het aanvaarden van het (onverplichte) aanbod in de brief van maart 2006 en behoefde zij acceptatie van het aanbod na afloop van die termijn niet te accepteren.