Rechtspraak
werknemer/Sappi Nijmegen B.V.
Werknemer was van 8 september 1960 tot 1 januari 2007 in dienst van (rechtsvoorgangers van) Sappi, laatstelijk als administrateur. Vanaf 1975 nam werknemer deel aan de consignatieregeling die onder meer inhield dat hij eens in de vijf weken werd ingeroosterd en verplicht was op zaterdag- en zondagochtend een voortgangsvergadering bij te wonen. De vaste consignatietoeslag voor werknemer bedroeg in 2004 € 250,03 per maand. Daarnaast kreeg werknemer, indien hij daadwerkelijk tijdens een consignatiedienst werd opgeroepen, een (variabele) overwerkvergoeding op uurbasis. De op de arbeidsovereenkomst van werknemer toepasselijke cao bepaalt onder meer dat, ingeval de consignatiedienst door aan schuld van de werknemer te wijten omstandigheden wordt beëindigd, geen compensatie wordt gegeven. Sappi heeft bij brief van 27 december 2004 aan werknemer meegedeeld dat zij diens deelname aan de consignatieregeling per 15 december 2004 met onmiddellijke ingang heeft stopgezet. Aanleiding was de afwezigheid van werknemer bij twee eerdere vergaderingen, alsmede een incident uit het verleden (onjuiste tijdregistratie). Werknemer vordert loon (betaling van de consignatiegelden). Het hof heeft de vordering toewijsbaar geoordeeld, maar de loonvordering aanmerkelijk gematigd op grond van artikel 6:248 BW, omdat werknemer lange tijd geen actie heeft ondernomen. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in cassatie stellende dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd (want niet aangetoond dat sprake is van ‘onaanvaardbaarheid’) dan wel niet de gepaste terughoudendheid betracht.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Bij de beantwoording van de vraag of daartoe aanleiding bestaat dient de rechter dezelfde maatstaven te hanteren als in de rechtspraak voor de toepassing van artikel 7:680a BW zijn ontwikkeld. De rechter is derhalve zowel op grond van artikel 6:248 lid 2 BW als op grond van artikel 7:680a BW slechts bevoegd een vordering tot doorbetaling van loon te matigen indien toewijzing in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Daarbij dient hij de terughoudendheid te betrachten die met deze maatstaf strookt en van die terughoudendheid in zijn motivering te doen blijken en dient hij alle bijzonderheden van het geval in aanmerking te nemen bij zijn oordeel omtrent de aanvaardbaarheid van de gevolgen van toewijzing van de vordering tot doorbetaling van loon (vgl. HR 16 april 2010, LJN BL1532, NJ 2010, 228, r.o. 3.5, en HR 1 juni 2012, LJN BV7347, NJ 2012, 343, r.o. 3.4). Hieruit volgt dat voor de bevoegdheid tot matiging op grond van artikel 6:248 lid 2 BW “evenals voor die tot matiging op grond van artikel 7:680a BW” geldt dat noch de duur van de procedure, noch de mate waarin deze is toe te rekenen aan de werknemer, in beginsel omstandigheden zijn die matiging als hier bedoeld kunnen rechtvaardigen, behoudens uitzonderlijke omstandigheden die geen andere conclusie toelaten dan dat de werknemer de procedure welbewust heeft trachten te rekken en daarmee succes heeft gehad (vgl. HR 13 september 2002, LJN AE4291, NJ 2002, 496).