Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/BK-Gas
Hoge Raad, 19 oktober 2012
ECLI:NL:HR:2012:BX7591

werkneemster/BK-Gas

Werkgever niet aansprakelijk voor RSI-klachten werkneemster na beeldschermwerk ondanks geconstateerde schending zorgplicht, wegens ontbreken causaal verband zorgplicht schending en schade

Werkneemster is op 7 juli 1993 als uitzendkracht gaan werken bij BK-Gas; zij is per 1 januari 1994 bij BK-Gas in dienst getreden als administratief assistente. Met ingang van 1 april 1998 was haar functie technisch administratief assistente. Werkneemster was werkzaam in de vestiging van BK-Gas te Barneveld; zij was belast met onder meer beeldschermwerk. Werkneemster is op 2 november 1998 arbeidsongeschikt geworden als gevolg van klachten aan de nek, schouders en armen. In de periode februari 1999 tot 25 mei 1999 heeft zij op arbeidstherapeutische basis partieel gewerkt; sedert 25 mei 1999 is zij volledig arbeidsongeschikt (vanaf 2 november 1999 80-100% in de zin van de WAO). Werkneemster is op kosten van BK-Gas in de periode september 1999 tot juni 2000 in behandeling geweest bij het Nederlands RSI Instituut in Leusden. Werkneemster heeft BK-Gas op 22 juni 2001 gedagvaard voor de kantonrechter te Haarlem. Zij heeft onder meer gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat BK-Gas haar zorgplicht ex artikel 7:658 BW jegens haar heeft geschonden en uit dien hoofde aansprakelijk is voor de door haar geleden schade. De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen. Het hof oordeelde (na een aantal tussenarresten) dat wel sprake is geweest van een zekere zorgplichtschending van BK-Gas (hoogte van bureau en temperatuur van de werkkamer), maar dat deze schending niet in causaal verband staat tot de RSI-klachten (althans dat deze schendingen niet wezenlijk hebben bijgedragen aan de schade). Tegen dit oordeel keert werkneemster zich in cassatie. Zij stelt onder meer dat indien sprake is van een zekere schending van de zorgplicht, de werkgever de bewijslast en het bewijsrisico draagt dat geen sprake is van een causaal verband.

De A-G concludeert als volgt. Hij schetst allereerst een toetsingskader voor (toekomstige) 658-gevallen in cassatie. Naar zijn oordeel zijn de kaders door de Hoge Raad duidelijk gesteld en dient de rechtspraktijk zich rekenschap van deze kaders te geven op ‘straffe van’ artikel 81 of 80a Wet RO. Inhoudelijk oordeelt hij als volgt. Hij verwerpt de stelling van werkneemster. De facto zou een dergelijke benadering neerkomen op een wijziging van het huidige systeem van artikel 7:658 BW. Ook de stelling dat werkneemster gewaarschuwd had moeten worden of meer voorlichting had moeten krijgen wordt gepasseerd.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.