Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Y GmbH
Rechtbank Noord-Nederland, 3 oktober 2012
ECLI:NL:RBGRO:2012:BY0086

werkneemster/Y GmbH

Poolse uitzendkracht krijgt ten onrechte niet betaald conform algemeen verbindend verklaarde CAO Vleessector. Overgang van onderneming uitzendonderneming

Werkneemster is een Poolse uitzendkracht en is in 2005 in dienst getreden van X, een uitzendbureau. Op basis van een tewerkstellingsvergunning is zij werkzaam geweest voor Z, een onderneming in de vleessector. Per 10 augustus 2009 is ze in dienst getreden van Y en is ze wederom tewerkgesteld bij Z. De CAO Vleessector en de ABU CAO is gedurende een aantal perioden algemeen verbindend verklaard. Werkneemster stelt dat zij krachtens overgang van onderneming van X is overgegaan naar Y. Volgens haar is het overeengekomen salaris lager dan in de CAO Vleessector. Zij vordert thans betaling van achterstallig loon over de perioden dat de cao algemeen verbindend is verklaard. Voorts beroept zij zich op de inlenersbeloning uit de ABU CAO en vordert ze op grond van artikel 7:619 BW bewijsstukken om haar vordering ter zake van zaterdaguren vast te stellen.

Op grond van artikel 19 lid 2 sub a EEX-Vo acht de kantonrechter zich bevoegd van het geschil kennis te nemen. Op grond van artikel 6 EVO wordt geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is. Aan de vereisten voor een overgang van onderneming in geval van een uitzendonderneming is voldaan, zodat werkneemster de loonvordering over de periode dat door X werd uitgeleend tegen Y kan instellen. Er is namelijk sprake van de vereiste knowhow, een op de organisatie van het uitlenen van werknemers toegesneden administratie en een bestand van uitzendkrachten die in de inlenende ondernemingen passen en de voor de inleners gewenste werkzaamheden kunnen verrichten (HvJ EU 13 september 2007, LJN BB5943). Toen werkneemster voortaan door Y aan Z werd uitgeleend, trad geen enkele wijziging op in de aard van de uitgevoerde werkzaamheden, de aansturing van de uitzendkrachten door bedrijfsleider Weber of in de beloning van werkneemster.

Y heeft werkneemster te weinig loon betaald en het loonverhoudingsvoorschrift van artikel 19 lid 5 van de ABU CAO niet toegepast. De loonvordering van werkneemster wordt derhalve toegewezen. Ten aanzien van de wettelijke verhoging en wettelijke rente wordt geoordeeld dat hoewel Poolse werknemers in een kwetsbare positie verkeren en uitzendkrachten nog kwetsbaarder zijn, niet gebleken is van opzettelijk handelen van Y of van daarmee gelijk te stellen onachtzaamheid bij het betalen van het salaris. De kantonrechter acht daarom termen aanwezig om de gevorderde wettelijke verhoging te matigen. Mitsdien wordt de gevorderde wettelijke verhoging tot 25%, op de voet van artikel 7:625 BW te berekenen, toegewezen. Tot slot wordt ook de vordering tot afgifte van de bescheiden ten aanzien van het werken op zaterdag toegewezen.