Rechtspraak
Werknemer/Theodoor Gilissen Bankiers NV
Werknemer is van 1 juli 2001 tot september 2008 in dienst geweest van TGB. Tussen partijen is een retentieregeling overeengekomen, waarbij werknemer aanspraak maakt op een bonus van € 50.000 indien hij op 1 januari 2009 in dienst is van TGB. Eventuele voorschotten op deze bonus dienen te worden geretourneerd, indien werknemer niet langer werkzaam is bij TGB op genoemde datum. Aan werknemer is reeds een deel van deze bonus betaalbaar gesteld. Werknemer heeft zijn arbeidsovereenkomst op 5 september 2008 op morele en ethische gronden opgezegd wegens een dringende reden. Aanleiding is geweest een complex dossier tussen TGB als kredietverstrekker en een grote klant. Volgens werknemer handelt TGB in strijd met wet- en regelgeving jegens deze klant en dat is voor hem onacceptabel. Hij voegt aan zijn opzegging de mededeling toe dat hij vrij is met derden over de gang van zaken binnen TGB te spreken, zelfs direct met de gedupeerde klant. Inmiddels heeft de klant een procedure tegen TGB aangespannen. Gebleken is dat de gemachtigde van de klant in het bezit is van vertrouwelijke informatie van TGB die zij via werknemer heeft ontvangen. In deze zaak heeft TGB onder meer een verbod van werknemer om vertrouwelijke informatie aan derden te verstrekken en veroordeling tot betaling van een schadevergoeding aan TGB wegens onrechtmatig handelen en terugbetaling van de reeds ontvangen retentiebonus gevorderd. De kantonrechter heeft deze vordering toegewezen (zie ook AR 2010-173). In hoger beroep oordeelde het hof eveneens dat werknemer geen beroep toekwam op de bescherming als klokkenluider. Voorts achtte het hof het ontslag op staande voet van werknemer niet gerechtigd. Van werknemer had in de geven omstandigheden verlangd mogen worden dat hij zijn bezwaren over de handelwijze van TGB eerst aan TGB kenbaar had gemaakt. Derhalve heeft werknemer geen recht op de retentiebonus. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in artikel 7:611 BW neergelegde verplichting van een werknemer om zich als een goed werknemer te gedragen brengt mee dat hij in beginsel tegenover zijn werkgever is gehouden tot discretie en loyaliteit. Dit geldt ook indien de werknemer van mening is dat binnen de organisatie sprake is van een misstand die in het algemeen belang dient te worden bestreden. Werknemer heeft aangevoerd dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn betoog dat hij (werknemer) op grond van onder meer artikel 4:88 Wet financieel toezicht, het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen, alsmede interne regelgeving van TGB gehouden is een zeker integriteitsniveau na te streven dat desnoods indruist tegen het belang van de werkgever. Onvoldoende bestreden is dat deze interne regels er mede toe strekken de cliënt te informeren en te beschermen. Hiervan uitgaande valt zonder toelichting, die het hof niet heeft gegeven, niet in te zien waarom de loyaliteit en discretie tegenover TGB ook onder de door werknemer gestelde omstandigheden zouden vergen dat werknemer de misstand meldt bij een functionaris binnen TGB, bij KBL en KBC dan wel bij de AFM en niet – eerst – bij de cliënt. Wat betreft de door het hof gestelde eis van melding bij een functionaris binnen TGB dient hierbij in aanmerking te worden genomen dat de door werknemer gestelde misstand betrekking heeft op directieleden van TGB, dus op de hoogste functionarissen binnen de organisatie. Daarvan uitgaande valt niet in te zien dat een melding bij een functionaris van TGB enig effect zou hebben gehad. Het hof heeft zijn uitspraak derhalve ontoereikend gemotiveerd.
Voor zover werknemer een beroep doet op artikel 4:88 Wet financieel toezicht als grondslag voor schending van zijn geheimhoudingsplicht, zou dit nopen tot het stellen van prejudiciële vragen. Nu in de onderhavige zaak niet is vastgesteld in hoeverre de hiervoor weergegeven stellingen van werknemer juist zijn, is thans geen sprake van een voldoende vaststaand feitelijk complex dat het stellen van zodanige prejudiciële vragen mogelijk maakt of rechtvaardigt. Indien het verwijzingshof na beoordeling van de feitelijke stellingen van werknemer oordeelt dat de hiervoor genoemde interne regels geen toereikende grondslag bieden voor diens handelen, zal het alsnog moeten beoordelen of artikel 4:88 Wft, al dan niet in samenhang met artikel 167 e.v. Bgfo, een zodanige grondslag biedt.
Met betrekking tot de dringende reden voor opzegging, oordeelt de Hoge Raad als volgt. Onder de hiervoor weergegeven, door werknemer gestelde omstandigheden valt zonder nadere redengeving, die ontbreekt, niet in te zien waarom het op de weg van werknemer had gelegen om TGB eerst nog te waarschuwen voor ontslagname als TGB op de gekozen weg zou doorgaan en werknemer daarbij zou betrekken, en waarom werknemer zonder zo’n waarschuwing te hebben gegeven geen gegronde reden had voor onmiddellijke beëindiging van zijn dienstverband met TGB. Volgt vernietiging van het arrest van het hof.
Ten slotte wordt overwogen dat de vordering van werknemer op grond van artikel 843a Rv tot inzage in correspondentie tussen TGB en de AFM kan worden aangemerkt als voldoende ‘bepaald’ nu het onderwerp nauwkeurig is afgebakend door omschrijving van het dossier en het noemen van de bij de stukken betrokken personen en instanties, ook al ontbreekt een omschrijving van specifieke stukken. Voorts brengen de gegeven omstandigheden met zich dat werknemer ook kan worden aangemerkt als staande in een rechtsbetrekking tot TGB en AFM.