Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 januari 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:BY8360

werknemer/werkgever

Loonvordering over periode dat werkgever werknemer geen passende arbeid heeft laten verrichten. Vaststelling loonwaarde van passende arbeid door deskundige. In casu is de ratio van artikel 7:625 BW niet van toepassing. Wettelijke verhoging daarom op 20%

De centrale vragen zijn of en voor welke omvang er passende arbeid aanwezig was bij werkgever en welke loonwaarde deze arbeid behelst. Het hof heeft een deskundige benoemd en neemt de conclusies van haar over, wat de omvang van de arbeid betreft. Wat de hoogte van de loonwaarde betreft, oordeelt het hof als volgt. Het gegeven dat werknemer niet langer in staat is om fysiek belastende taken uit te voeren sluit, anders dan werkgever meent, op zichzelf nog niet uit dat de taken waartoe hij nog wel in staat moet worden geacht zich op een gemiddeld zelfde loonniveau bevinden. Voorts is van belang dat er in het geval van werknemer niet één specifieke passende functie is aan te wijzen, maar dat de aangewezen taken uit verschillende functies afkomstig zijn. De deskundige heeft in haar rapport toegelicht dat aldus een werkbaar pakket ontstaat van taken die zowel op, beneden als boven het niveau van de functie van kraanmachinist liggen, reden waarom zij meent dat van de loonwaarde van deze laatste moet worden uitgegaan. Het gegeven dat werknemer sedert wachttijd nauwelijks taken op het hogere niveau zou hebben uitgevoerd, doet, wat er van dat gegeven verder ook zij, niet af aan de constatering van de deskundige dat de aangewezen taken in het bedrijf van werkgever beschikbaar en voor werknemer passend zijn. Ook op dit punt wordt het oordeel van de deskundige gevolgd. Werknemer heeft derhalve recht op loon.

Wat de vordering ex artikel 7:625 BW betreft oordeelt het hof als volgt. De aanspraak op wettelijke verhoging is geen vergoeding voor overeengekomen arbeid en evenmin een schadevergoeding (zie HR 5 januari 1979, NJ 1979, 207), maar een prikkel tot tijdige betaling. Dat doel is hier niet meer aan de orde. Alles afwegend acht het hof in dit geval een wettelijke verhoging van 20% op zijn plaats. Het hof kent hierbij enerzijds betekenis toe aan de ongespecificeerde nabetaling van € 20.000 en de over de in 2009 gedane nabetalingen reeds betaalde 25% wettelijke verhoging ad € 9.000 en anderzijds aan het feit dat werknemer als gevolg van het feit dat hij een tijd lang niet het salaris kreeg wat hem toekwam rente is misgelopen welk nadeel niet volledig wordt gecompenseerd.