Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 januari 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:BY9270
G4S Cash Solutions B.V./werknemers
(Hoger beroep van AR 2011-0468.) Werknemer 1 is van 3 september 2007 tot 3 maart 2010, en werknemer 2 is van 22 februari 2009 tot 4 november 2009 in dienst geweest van G4S. In hun functie van ATM (Automatic Teller Machine)-medewerker waren werknemers belast met het vullen en legen van geldautomaten. Op 2 november 2009 is een geldautomaat met € 15.000 te weinig gevuld. Dit geld is verdwenen. Beide werknemers ontkennen het ontbrekende geld te hebben weggenomen. Zij wijzen elkaar als schuldige aan. G4S vordert betaling van € 15.000 van werknemers. De kantonrechter oordeelde als volgt. G4S heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die erop wijzen dat werknemers op 2 november 2009 samen het verdwenen geld hebben weggenomen. Dat de een het geld met medeweten van de ander heeft ontvreemd, heeft G4S evenmin voldoende kunnen onderbouwen. De vordering is daarom slechts toewijsbaar indien de tekortkoming die beiden wel hebben erkend, te weten dat de één (de telling door) de ander niet heeft gecontroleerd, tot aansprakelijkheid leidt en tot vergoeding van de schade verplicht. G4S heeft zich onder meer beroepen op het bepaalde in artikel 6:102 en 6:166 BW. Dit beroep slaagt niet. Dat werknemers van elkaar wisten of behoorden te begrijpen dat de ander het voornemen had geld te verduisteren is niet gesteld of gebleken. Ook het beroep op artikel 7:661 BW slaagt niet. G4S heeft niet gesteld dat sprake was van opzet en ook van bewuste roekeloosheid is in de gegeven omstandigheden geen sprake. Tegen dit oordeel keert G4S zich in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is van bewuste roekeloosheid in de zin van artikel 7:661 BW sprake indien de werknemer onmiddellijk voorafgaand aan het schadetoebrengend voorval daadwerkelijk besefte dat hij zich daarvan in verband met de aanmerkelijke kans op verwezenlijking van het daardoor in het leven geroepen gevaar had behoren te onthouden. Het artikel strekt, zo is uit die jurisprudentie af te leiden, ertoe de werknemer te beschermen door bij de aan zijn schuld te stellen eisen rekening te houden met het ervaringsfeit dat de dagelijkse omgang hem er licht toe zal brengen niet alle voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van schadetoebrengende voorvallen geraden is (vgl. HR 14 oktober 2005, LJN AU2235 en HR 1 februari 2008, LJN BB6175). De bedrijfsvoering van G4S is, zo stelt G4S, maximaal erop gericht om fraude te voorkomen. G4S kent een professionele afdeling Security, screent toekomstige medewerkers zorgvuldig, geeft iedere medewerker een basisopleiding waarin uitdrukkelijk wordt gewezen op het in de arbeidsovereenkomst geïncorporeerde vierogenprincipe, werkt medewerkers in door een mentor en voorkomt blind vertrouwen door medewerkers zodanig in te roosteren dat zij niet regelmatig met elkaar samenwerken. Werknemers worden voortdurend gewezen op het naleven van de regels en bij met een zekere regelmaat terugkerende bijeenkomsten voor het personeel wordt aan ‘de gouden regels’ expliciet aandacht besteed. Schending van deze regels moet derhalve worden opgevat als opzet of bewuste roekeloosheid. Het hof oordeelt evenwel dat G4S onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij nauwlettend toezicht uitoefende op de naleving van deze regels. Daarbij komt dat in de praktijk bleek dat de tijd om de machines te vullen (veel) te kort was en dat werknemers juist vanwege de te volgen opleiding van elkaar mochten verwachten dat men integer is.
Ook indien het hof er veronderstellenderwijze van zou uitgaan dat werknemers, onafhankelijk van de door G4S gestelde tekortkoming bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, onrechtmatig hebben gehandeld, zoals G4S onder punt 26 van haar memorie van grieven heeft omschreven, dient de hiervoor vermelde maatstaf van artikel 7:661 BW in acht te worden genomen (HR 2 maart 2007, LJN AZ3535). Ditzelfde geldt ook indien sprake zou zijn van een aan werknemers verweten onrechtmatige daad, die in zodanig verband staat met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, dat de strekking van artikel 7:661 BW zich tegen een verdergaande aansprakelijkheid verzet. Hierop stuit het beroep van 4GS op artikel 6:162 BW, 6:166 BW en 6:102 BW af.