Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Drug Discovery Factory
Gerechtshof Amsterdam, 30 oktober 2012
ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ0136

werkneemster/Drug Discovery Factory

Kantonrechter treedt niet buiten toepassingsbereik door gedraging van werknemer strafrechtelijk te kwalificeren, zonder strafproces(regels) toe te passen. Het dreigen met ernstige verwijten aan bestuur werkgever in de hoop een betere ontslagregeling te forceren is een dringende reden voor ontbinding. Gebrekkige motivering (als al) leidt niet tot doorbreking appelverbod

Werkneemster is als hoofd financiële zaken (CFO) in dienst van Drug Discovery Factory (DDF). De aandeelhouders en de enige bestuurders van DDF zijn de houdstermaatschappijen van X en Y. Werkneemster werd regelmatig gedetacheerd bij klanten/partners van DDF. Een van deze partners was JCR. De voorzitter van het bestuur van JCR is X. In het voorjaar 2011 is door X kritiek geuit op het functioneren van werkneemster. Na diverse coachingsgesprekken en herstelpogingen, heeft werkneemster de wens uitgesproken bij JCR in dienst te treden. X heeft aangegeven hieraan geen medewerking te verlenen. Vervolgens heeft werkneemster in een e-mail aan X uitlatingen gedaan over JCR die erop neerkomen dat daar sprake zou zijn van opportunistisch gedrag van de CEO en zakkenvullerij. JCR heeft vervolgens de detacheringsovereenkomst opgezegd. DDF heeft werkneemster op non-actief gesteld. Opnieuw stuurt werkneemster een e-mail, ditmaal aan X en ook aan Y waarin beschuldigingen aan het adres van X worden gedaan, die werkneemster bereid is voor zich te houden indien een goede vertrekregeling tot stand komt. DDF verzoekt vervolgens ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat uit de e-mailberichten van werkneemster blijkt dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot afdreiging als bedoeld in artikel 318 van het Wetboek van Strafrecht. Daarmee is een dringende reden gegeven. Tegen dit oordeel keert werkneemster zich in hoger beroep, stellende dat sprake is van schending van artikel 6 EVRM omdat de essentiële voorschriften die in een strafproces gelden, niet in acht zijn genomen. Van een adequaat gerechtelijk (voor)onderzoek en het daarmee samenhangend of anderszins toepassen van hoor en wederhoor is volgens werkneemster geen sprake geweest.

Het hof oordeelt als volgt. Anders dan werkneemster heeft betoogd, betreft de bestreden beschikking geen strafrechtelijke uitspraak. De omstandigheid dat de procedure in eerste aanleg niet is verlopen volgens de voorschriften die gelden ten aanzien van een strafproces, kan derhalve niet tot het oordeel leiden dat het recht van werkneemster op een eerlijk proces is geschonden of dat de kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor veronachtzaamd heeft, hetgeen ook overigens niet is gebleken. Dat beoordeeld is of er sprake is van een dringende reden waarbij in het bijzonder is acht geslagen op de inhoud van de e-mail van werkneemster aan Y van 24 januari 2012, die volgens kantonrechter als een poging tot afdreiging kan worden opgevat, valt binnen het toetsingskader van artikel 7:685 BW, zodat de kantonrechter derhalve niet buiten het toepassingsgebied van dit artikel is getreden. Voor zover al sprake zou zijn van een motiveringsgebrek, leidt dit niet tot schending van een essentiële vorm dat artikel 7:685 lid 11 BW kan worden doorbroken.