Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland, 13 februari 2013
ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ1430
FNV Bondgenoten c.s./Feenstra Verwarming B.V.
De Rooij was een dochteronderneming van Feenstra en is per 3 november 2012 gefuseerd met Feenstra. Het pensioen van de werknemers van De Rooij was ondergebracht bij Aegon. Bij het inhouden van premies door De Rooij is de premieverdeling 1/3 werknemer-2/3 werkgever toegepast. De Rooij is in 2008 begonnen met het harmoniseren van haar eigen arbeidsvoorwaarden met de arbeidsvoorwaarden van haar moedermaatschappij Feenstra. Het pensioen van de werknemers die na 1 juli 2008 in dienst zijn genomen, is door De Rooij bij PMT ondergebracht. Bij deze werknemers is een premieverdeling van 1/2 werkgever-1/2 werknemer toegepast. De Rooij is met ingang van 1 juni 2011 ook een premieverdeling van 1/2 werknemer-1/2 werkgever gaan toepassen bij de inhouding op het loon van de werknemers die al voor 1 juli 2008 in dienst waren. Hierdoor ontvangen (de meeste van) deze werknemers per saldo minder loon. FNV c.s. stellen dat De Rooij niet tot deze eenzijdige wijziging gerechtigd is. De werknemers (die al voor 1 juli 2008 in dienst waren) vorderen toepassing van de oude pensioenpremieverdeling.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De vakbonden zijn op grond van artikel 3:305a BW ontvankelijk in hun vorderingen en hebben voldoende voldaan aan hun overlegverplichting. De overgang van de pensioenregeling naar PMT – mede in het kader van de harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden binnen het Feenstra-concern, waardoor de De Rooij-arbeidsvoorwaarden kwamen te vervallen – brengt niet mee dat De Rooij tevens verplicht was om een afwijkende premieverdeling (van 1/3 werknemer-2/3 werkgever naar 1/2 werknemer-1/2 werkgever) te gaan toepassen. Gesteld noch gebleken is dat de pensioenregeling voor de sector metaal en techniek tot een zodanige premieverdeling noodzaakt(e). Ook de van toepassing zijnde cao laat ruimte voor afwijking. In artikel 29 van de Pensioenovereenkomst van De Rooij is een eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 19 Pensioenwet opgenomen. Hoewel De Rooij/Feenstra weliswaar een belang heeft bij harmonisatie van de pensioenvoorwaarden van de werknemers binnen de onderneming c.q. het concern, is dat belang niet zodanig zwaarwegend dat het belang van de betrokken werknemers bij handhaving van de bestaande pensioenvoorwaarden – meer in het bijzonder de premieverdeling – daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zou moeten wijken (vgl. Hof Amsterdam 15 april 2004, JAR 2004/217). Onbetwist is dat (het merendeel van) de betrokken werknemers er door de wijziging van de verdeling van de pensioenpremie in nettoloon maandelijks substantieel (4,3-4,5%) op achteruitgaan. Voorts is de werknemers geen enkele vorm van compensatie geboden, hetgeen wel had mogen worden verwacht. Nu sprake is van een eenzijdig wijzigingsbeding, faalt het beroep op artikel 7:611 BW en het arrest Stoof/Mammoet (HR 11 juli 2008, LJN BD1847). Het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW wordt gepasseerd. De Rooij/Feenstra wordt veroordeeld tot toepassing van de oude premieverdeling 1/3 werknemer-2/3 werkgever.