Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting Onze Lieve Vrouwe Gasthuis
Rechtbank Amsterdam, 21 september 2012
ECLI:NL:RBAMS:2012:BZ5152

werknemer/Stichting Onze Lieve Vrouwe Gasthuis

Eenzijdige wijziging honoreringssystematiek (salariëring) cardioloog vanwege wijziging financiering in de gezondheidszorg. Aanhouding zaak

Werknemer is sinds 1 mei 1991 verbonden aan het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (hierna: OLVG) als cardioloog. Per 1 januari 1997 zijn partijen een arbeidsovereenkomst overeengekomen. Het salaris van de specialist bestaat uit een vast en een variabel deel en is eenmalig vastgesteld aan de hand van de honorariumbudgetteringsmethodiek, zoals opgenomen in de honoreringsovereenkomst. In 2008 zijn in de gezondheidszorg de zogenaamde diagnosebehandelcombinaties (hierna: DBC’s) ingevoerd. Bij een DBC is de omzet gelijk aan de normtijd voor de activiteiten onder de DBC, te vermenigvuldigen met een (van overheidswege) vastgesteld uurtarief en normtijden. Medio 2007 heeft OLVG aan de medische staf laten weten dat de naderende invoering van de prestatiebekostiging op basis van DBC’s en de afschaffing van de zogenaamde lumpsumfinanciering voor haar aanleiding was om de honorering van haar werknemers te wijzigen. In augustus 2008 heeft OLVG met terugwerkende kracht per 1 januari 2008 een gewijzigde honoreringssystematiek voor medisch specialisten (hierna: HMS) ingevoerd. Deze HMS hield op hoofdlijnen in dat alle bij OLVG in dienst zijnde medisch specialisten een nieuwe, gelijksoortige arbeidsovereenkomst kregen, waarbij het salaris wordt opgebouwd uit een vast en een variabel deel. Het vaste deel bestaat uit een salaris conform de salarisschalen, vermeerderd met toeslagen, op grond van het HMS. Het variabele salaris wordt jaarlijks vastgesteld en betreft de aanspraak die de medisch specialisten hebben op de totale honorariumomzet van de unit (vakgroep), na aftrek van kosten die ten laste komen van de honorariumomzet (de jaarruimte). Voor alle medisch specialisten geldt daarenboven een overgangsregeling in de vorm van een inkomenssuppletie op het salaris dat zij genoten in 2007 (het garantie-inkomen). 

In het geval van werknemer werd voorzien in een overgangsregeling, waarbij gedurende 2008 en 2009 zijn inkomen zou worden gesuppleerd, waarna vanaf 1 januari 2010 een afbouwregeling zou gelden van 66% (2010) en 33,3% (voor 2011), indien op basis van de dan gerealiseerde honorariumomzet het jaarinkomen in 2010 en 2011 lager zou zijn dan het garantie-inkomen. Over de suppletie vindt pensioenopbouw plaats en wordt vakantietoeslag uitgekeerd. Werknemer weigert akkoord te gaan met de wijziging. Hij vordert een verklaring voor recht dat de eenzijdige wijziging met betrekking tot de honoreringssystematiek, althans de salariëring, niet rechtsgeldig is. De kantonrechter oordeelt dat de zaak zich leent voor een verschijning van partijen ter zitting. Volgt aanhouding van de zaak (zie AR 2013-0251 voor eindvonnis).