Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 maart 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4074
Stichting Ziekenhuis De Tjongerschans/werknemer
(Hoger beroep van AR 2011-0585.) Werknemer is voor onbepaalde tijd in dienst van Tjongerschans. Op enig moment is werknemer aangesteld als bemiddelaar. Om te voorkomen dat werknemer nadeel zou ondervinden van de bemiddeling, zijn tijdens het dienstverband verschillende inkomensgaranties overeengekomen. In 2006 is werknemer arbeidsongeschikt geraakt. Omdat verdere re-integratie van werknemer niet mogelijk bleek, heeft Tjongerschans de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Het ontbindingsverzoek is toegewezen onder toekenning van een vergoeding van € 180.000 (C=1). Thans vordert werknemer nakoming van de inkomensgarantie tot aan 65-jarige leeftijd. Werknemer stelt dat er geen enkel voorbehoud is gemaakt op de contractuele afvloeiingsregelingen en dat de garanties gelden voor alle gevallen waarin de arbeidsrelatie tot een einde komt. Tjongerschans stelt dat zij niet gehouden is tot nakoming en beroept zich onder meer op de uitleg van de overeenkomst en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer grotendeels toegewezen.
Het hof oordeelt als volgt. De stelling van De Tjongerschans dat de inkomensgaranties uitsluitend waren gekoppeld aan de bemiddelingswerkzaamheden, die in 2003 waren geëindigd, en werknemer derhalve geen beroep meer kan doen op deze bepaling, faalt. Partijen hebben meermalen en uitdrukkelijk opgenomen dat de oorzaak van het ontslag niet ter discussie zal worden gesteld. Derhalve heeft de inkomensgarantie een ruimer bereik. Mogelijk dat artikel 6:248 BW voor De Tjongerschans uitkomst biedt, maar daar is geen beroep op gedaan. Het geschil spitst zich dus toe op de vraag of partijen met de aangehaalde zinsnede hebben bedoeld dat werknemer na ontslag niet alleen zijn salaris doorbetaald zou krijgen, maar ook aanspraak zou hebben op verdere opbouw van zijn pensioen. Anders dan de kantonrechter oordeelt het hof dat dit niet het geval is. Dat onder het gegarandeerde ‘salaris inclusief toelagen’, mede in het licht van de overige tekst van de overeenkomst en de opzet daarvan, méér verstaan moet worden dan het genoemde, en eventueel nader te berekenen, loon volgens de salarisschaal met verhoging, valt niet uit de tekst af te leiden. Het garantiekarakter van de ingeroepen regeling brengt mee dat er duidelijke aanwijzingen moeten bestaan voor een ruimere uitleg dan de enkele bewoordingen aangeven. Het moet immers helder zijn waartoe de garantiegever zich verplicht, en waarop de ontvanger van de garantie recht heeft. Dat De Tjongerschans pensioenpremie moest betalen zolang de arbeidsovereenkomst zou voortduren, behoeft geen betoog. Uit niets blijkt echter dat De Tjongerschans heeft beoogd dat zij ook na ontslag de pensioenpremie voor werknemer zou willen doorbetalen.
Voorts stelt De Tjongerschans – onder verwijzing naar het Blakborn-arrest (HR 2 april 2004, LJN AO1939) – zich op het standpunt dat de toegekende ontbindingsvergoeding op de loongarantieregeling in mindering moet worden gebracht. De grondslag voor de onderhavige vordering is de overeengekomen garantie. In de garantie is geen uitdrukkelijke anticumulatiebepaling opgenomen voor het geval bij ontbinding door de rechter een vergoeding wordt toegekend. Voor de vraag of de door de ontbindingsrechter op grond van billijkheid toegekende vergoeding ook zonder anticumulatiebepaling in mindering moet strekken op hetgeen De Tjongerschans contractueel verschuldigd is, dient de garantie te worden uitgelegd aan de hand van het hiervoor vermelde Haviltex-criterium. De garantie ziet op doorbetaling van het salaris, eventueel als suppletie op inkomsten uit ander werk, en – zoals hiervoor overwogen – niet op pensioenopbouw na ontslag. Voor zover De Tjongerschans bedoelt te stellen dat cumulatie van ontbindingsvergoeding en garantie niet bedoeld kan zijn, omdat dit leidt tot het ‘bizarre resultaat’ dat werknemer dan beter af is door niet meer te werken, is die opvatting –inmiddels – feitelijk onjuist. De ontbindingsvergoeding is immers lager dan het berekende tekort aan pensioenopbouw. Het resultaat van de cumulatie noopt derhalve niet tot de conclusie dat deze uitleg van de garantie door partijen redelijkerwijs niet bedoeld kan zijn. Het hof kan aan de hand van de ontbindingsbeschikking ook niet afleiden dat, en zo ja: voor welk deel, de ontbindingsvergoeding is toegekend ter bestrijding van dezelfde ‘schade’ als die waarop de garantie ziet. Het hof ziet evenmin aanknopingspunten voor de door De Tjongerschans gewenste uitleg door de ontbindingsvergoeding te scharen onder het salaris, dat uit een andere functie wordt verkregen, en dat in het kader van de suppletieregeling op het gegarandeerde maandbedrag in mindering strekt. Daaraan doet niet, of in elk geval onvoldoende, af dat ingevolge de regeling van artikel 16 lid 3 WW een ontbindingsvergoeding wordt beschouwd als inkomstenbron gedurende de fictieve opzegtermijn. Het hof overweegt nadrukkelijk dat het gehouden is een vordering tot nakoming van rechtens geldige afspraken toe te wijzen, ook als de aanspraak, in de woorden van De Tjongerschans, ‘bizar hoog’ is. Dit wordt niet anders doordat de toenmalige gemachtigde van werknemer bij de mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek te kennen heeft gegeven de korting wel te verwachten. Het hof veroordeelt De Tjongerschans tot betaling aan werknemer van een bedrag van € 6.418 bruto per maand met ingang van 1 januari 2010 tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van werknemer (65 jaar; en niet 60 omdat dit te doen gebruikelijk zou zijn in de branche/dan wel uit uitlatingen van werknemer zou zijn af te leiden).