Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Wolters
Hoge Raad, 3 mei 2013
ECLI:NL:HR:2013:BZ2907

werkneemster/Wolters

Werknemer die meermalen binnen drie uur wordt opgeroepen, heeft meermalen recht op drie uur garantieloon ex artikel 7:628 BW. Artikel 7:628a BW verzet zich niet tegen ‘dubbele beloning’. Dubbele beloning strookt met de beschermende strekking van de wet

(Vervolg op AR 2011-600 en AR 2011-1038.) Werkneemster is met ingang van 10 januari 2002 als taxichauffeur in dienst getreden bij Wolters (taxibedrijf en koeriersdiensten) voor 52 uur per maand (op basis van een oproepcontract). Werkneemster verzorgde schoolritten die aan het begin van het jaar werden ingepland. De precieze duur van een rit varieerde van dag tot dag. Sporadisch verrichte werkneemster ook taxiritten. Van beide werkzaamheden hield werkneemster een rittenkaart bij op basis waarvan uitbetaling plaatsvond. Indien werkneemster in de betreffende maand meer uren had gereden dan 52 (twaalf uur per week), kreeg zij deze meeruren (naast het vaste loon gebaseerd op twaalf uur per week) uitbetaald. Indien werkneemster minder uren had gereden, werden deze minderuren als verlofuren aangemerkt door Wolters en ontving zij alleen haar vaste loon. Werkneemster heeft de arbeidsovereenkomst bij brief van 30 januari 2007 opgezegd tegen 1 maart 2007 en achterstallig loon over de periode van 1 augustus 2006 tot 28 februari 2007 gevorderd. Zij beroept zich op artikel 7:628a BW, stellende dat haar arbeidsovereenkomst als een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht moet worden aangemerkt en zij voor iedere oproep korter dan drie uur, recht heeft op uitbetaling van ten minste drie uren. De kantonrechter heeft in zijn tussenvonnis geoordeeld dat met betrekking tot de schoolroutes sprake was van een duidelijk arbeidspatroon, en in zoverre het bepaalde in artikel 7:628a BW niet toepasselijk geacht. Bij eindvonnis heeft de kantonrechter op basis van die herberekening € 1068,95 bruto toegewezen. Bij arrest van 19 juli 2011, LJN BR2346 heeft het hof geoordeeld dat werkneemster wel degelijk een beroep toekomt op artikel 7:628a BW voor wat betreft de ‘verlengde taxiritten’. Het hof heeft het standpunt van werkneemster verworpen dat artikel 7:628a BW aldus moet worden uitgelegd dat in dit geval op één dag voor iedere rit (niet zijnde een schoolrit) steeds ten minste drie uur moet worden uitbetaald, onafhankelijk van de tussen de ritten gelegen tijd. Naar het oordeel van het hof kan dat niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest, omdat aldus bepaalde delen van de dag dubbel zouden worden betaald. Naar het oordeel van het hof brengt een redelijke uitleg van artikel 7:628a BW mee dat per rit minimaal drie uur betaald moet worden. Indien een rit – zijnde een aangevangen rit en alle binnen 15 minuten na het einde daarvan op elkaar aansluitende ritten – de periode van drie uur overschrijdt, wordt de werkelijk gewerkte tijd voor die rit(ten) vergoed (en dus niet een forfaitair meervoud van drie uur). Indien een forfaitair verlengde rit aansluit op een nieuwe rit, wordt de werkelijke werktijd van de nieuwe rit opgeteld bij de forfaitaire periode van drie uur. Tegen dit oordeel keert werkneemster zich in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Artikel 7:628a BW garandeert de werknemer onder de in die bepaling genoemde voorwaarden voor iedere periode van minder dan drie uur waarin deze arbeid heeft verricht, recht op het loon waarop hij aanspraak zou hebben indien hij drie uur arbeid zou hebben verricht. Blijkens de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.3 weergegeven wetsgeschiedenis strekt deze bepaling ertoe te bevorderen dat de werkgever de arbeid zo organiseert dat diensten of perioden van minder dan drie uur waarin arbeid moet worden verricht, en waarbij onduidelijkheid bestaat over de tijdstippen waarop arbeid moet worden verricht, zo min mogelijk voorkomen. De aanspraak op loon kan worden beschouwd als een compensatie voor de onzekerheid van de arbeidsduur en de daaruit voortvloeiende inkomsten of over de tijden waarop deze arbeid moet worden verricht. Deze aanspraak legt voorts druk op partijen om tot duidelijke afspraken te komen. Artikel 7:628a BW heeft derhalve een de werknemer beschermende strekking. Gelet op de tekst en de strekking van artikel 7:628a BW brengt die bepaling mee dat de werknemer wiens arbeidsvoorwaarden voldoen aan de in artikel 7:628a BW genoemde voorwaarden en die meerdere malen per dag wordt opgeroepen werk te verrichten, over elke afzonderlijke periode van arbeid recht heeft op loon voor een periode van minimaal drie uur. Die uitleg strookt bovendien met de bedoeling van de wetgever om de situatie na een werkonderbreking die niet bestaat in een reguliere werkpauze, aan te merken als een nieuwe periode van arbeid die aanspraak geeft op de door artikel 7:628a BW gegarandeerde beloning (Kamerstukken I 1997/98, 25 263, nr. 132b, p. 9). Dit wordt niet anders doordat aldus de mogelijkheid ontstaat dat de werknemer die meerdere malen op een dag wordt opgeroepen, over bepaalde tijdvakken van die dag ‘dubbel’ wordt beloond. Niet alleen verzet de tekst van artikel 7:628a BW zich niet tegen een zodanige ‘dubbele’ beloning, ook strookt dit met de beschermende strekking van die bepaling, omdat aldus wordt bevorderd dat de werkgever het werk zodanig inricht dat de werknemer niet meerdere malen per dag voor telkens een korte periode wordt opgeroepen, dan wel dat – indien dat resultaat niet wordt bereikt – de werknemer wordt gecompenseerd voor de daarmee gepaard gaande onzekerheid. Bovendien ligt in de gekozen systematiek van een forfaitaire vergoeding van drie uur voor periodes waarin minder dan drie uur is gewerkt, reeds besloten dat de wetgever de gedachte heeft aanvaard dat in die situaties de werknemer meer loon ontvangt dan de (duur van de) arbeidsprestatie rechtvaardigt.