Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Centraal Orgaan opvang asielzoekers
Rechtbank Den Haag, 5 juni 2013
ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2140

werkneemster/Centraal Orgaan opvang asielzoekers

Ontslag directrice COA kennelijk onredelijk? Nadere bewijslevering omtrent gebruik dienstauto voor privédoeleinden

Werkneemster is op 1 maart 2001 voor onbepaalde tijd bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (hierna: COA) in dienst getreden als concerndirecteur P&O. Sinds 2004 krijgt zij een dienstauto met chauffeur ter beschikking. Werkneemster is, hangende een onderzoek naar haar salaris en vergoedingen binnen het COA op non-actief gesteld. Het Hof Den Haag heeft op 10 januari 2012 een tweede non-actiefstelling opgeheven (zie AR 2011-0877 en AR 2012-0044). Op 4 april 2012 heeft werkneemster het COA aangezegd dat zij aanspraak maakt op € 20.000 ter zake van verbeurde dwangsommen ingevolge het arrest van het hof van 10 januari 2012. De Onderzoekscommissie COA heeft geconcludeerd dat werkneemster achteraf haar digitale agenda heeft aangepast om het privérijgedrag te verhullen. Voorts heeft zij onjuiste informatie over haar geldende salaris verstrekt, maar niet gezegd kan worden dat dit opzettelijk is gedaan. Op 20 april 2012 heeft het COA het dienstverband met werkneemster met ingang van 23 april 2012 onregelmatig opgezegd met toezegging tot betaling van de schadeloosstelling ex artikel 7:677 BW vanwege de van toepassing zijnde opzeggingstermijn van drie maanden. Werkneemster stelt dat de opzegging kennelijk onredelijk is. Primair vordert zij herstel van de dienstbetrekking, subsidiair schadevergoeding.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De door het COA aangewende (twaalf) opzeggingsgronden kunnen niet worden aangemerkt als voorgewende redenen. Het COA heeft deze redenen op basis van de bevindingen van de Onderzoekscommissie COA aan de opzegging ten grondslag gelegd en de daaraan door de minister verbonden consequentie dat werkneemster niet benoembaar was binnen het COA. In het kader van de beoordeling van de ontslaggronden dienen de conclusies van de Onderzoekscommissie COA te worden getoetst. De twaalf ontslaggronden worden door de kantonrechter achtereenvolgens besproken.

Ten aanzien van de verwijten met betrekking tot de dienstauto wordt het volgende overwogen. Indien en voor zover komt vast te staan dat de verwijten aan het adres van werkneemster aangaande de dienstauto terecht zijn, rechtvaardigt dit zonder meer een ontslag. De aard van de functie die werkneemster bij het COA bekleedde, te weten die van bestuurder van een publiek orgaan, brengt met zich dat aan diegene die deze (voorbeeld)functie vervult zeer strenge eisen ten aanzien van onder meer integriteit (mogen) worden gesteld. De kantonrechter is van oordeel dat indien vast komt te staan dat werkneemster in haar handelen op dit punt tekort is geschoten, dit van zwaarwegende betekenis zal zijn ten aanzien van de beoordeling of in dezen sprake is van kennelijk onredelijk ontslag en of er grond bestaat voor toekenning van een contractuele beëindigingsvergoeding. Alvorens op de overige feiten en omstandigheden in te gaan, waaronder de aanleiding en procedure van de non-actief stelling en de kansen van werkneemster op de arbeidsmarkt (het gevolgencriterium), wordt aan het COA een bewijsopdracht gegeven ten aanzien van de volgende door het COA aangevoerde ontslaggronden: het verstrekken van onjuiste informatie omtrent het gebruik van de dienstauto voor privédoeleinden, het verhullen van het gebruik van de dienstauto voor privédoeleinden waarbij ondergeschikten zijn betrokken, het gebruikmaken van chauffeursdiensten van het COA voor privédoeleinden en het verstrekken van onjuiste informatie hierover aan de pers. Volgt aanhouding van de zaak.