Naar boven ↑

Rechtspraak

Kwik-Fit Nederland BV/werknemer
Hoge Raad, 21 juni 2013
ECLI:NL:HR:2013:BZ5360

Kwik-Fit Nederland BV/werknemer

Gefixeerde schadevergoeding mag in mindering worden gebracht op de vergoeding wegens inkomensschade bij kennelijk onredelijke opzegging. Het feit dat het gaat om verschillende compensatiegronden staat aan deze verrekening niet in de weg, nu de rechter een grote mate van vrijheid heeft de schade ex artikel 7:681 BW vast te stellen

(Cassatieberoep van AR 2011-0867.) Werknemer (46 jaar) is op 5 juli 1986 in dienst getreden bij Kwik-Fit. De laatst door hem uitgeoefende functie is die van ‘filiaalmanager’ van het filiaal te Zwolle. Nadat onregelmatigheden in de administratie van het filiaal te Zwolle zijn ontdekt, heeft Kwik-Fit onderzoek ingesteld, onder meer bestaande uit het heimelijk toezicht houden door cameragebruik. De (door de auditafdeling van Kwik-Fit gemaakte) compilatie van cameraopnamen laat beelden zien waarop werknemer contante betalingen aanneemt en niet aanstonds in de kassa doet en/of waarvoor niet aanstonds een factuur wordt opgemaakt en aan de klant afgegeven, alsook beelden waarop werknemer een (of meer) geldsbedrag(en) in de kassa stopt of uit de kassa neemt. Werknemer is vervolgens op staande voet ontslagen wegens fraude/diefstal. Volgens werknemer is sprake van een onregelmatige en kennelijk onredelijke opzegging. Nu de opzegging met onmiddellijke ingang een dringende reden ontbeert, is Kwik-Fit schadeplichtig; de vordering tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:677 lid 4 BW in verbinding met artikel 7:680 lid 1 BW was toewijsbaar tot een bedrag van € 10.676, welk bedrag overeenstemde met het loon over de opzegtermijn van vier maanden. Gelet op de omstandigheden van het geval achtte het hof een aanvulling tot het laatstverdiende salaris gedurende de maximale WW-periode van 26 maanden een billijke en passende schadevergoeding, waarop in mindering wordt gebracht de vier maanden ter zake waarvan werknemer de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:680 BW is toegewezen; de aanvulling over 22 maanden wordt berekend op een bedrag van € 15.500. In het incidentele cassatieberoep stelt werknemer zich op het standpunt dat het hof ten onrechte de gefixeerde schadevergoeding op de schadevergoeding ex artikel 7:681 BW in mindering heeft gebracht. Het betreft hier, aldus werknemer, twee verschillende compensatiegronden.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Het hof heeft terecht voorgesteld dat de vordering tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding wegens het niet in acht nemen van de toepasselijke opzegtermijn en de vordering tot betaling van schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, elkaar niet uitsluiten (vgl. HR 29 september 1995, LJN ZC1830, NJ 1996, 90). Nadat het hof in r.o. 26 de gefixeerde schadevergoeding ingevolge artikel 7:680 BW had bepaald op het loon gedurende vier maanden, heeft het ter zake van de door Kwik-Fit verschuldigde schadevergoeding ingevolge artikel 7:681 BW geoordeeld dat een aanvulling tot het laatstverdiende salaris gedurende de maximale WW-periode van 26 maanden een billijke en passende schadevergoeding is. Geen rechtsregel belette het hof bij de vaststelling van deze laatste schadevergoeding rekening te houden met het feit dat werknemer, ingevolge de beslissing inzake het onregelmatig ontslag, reeds aanspraak had op een gefixeerde schadevergoeding ten bedrage van vier maanden loon. De rechter heeft een grote mate van vrijheid om op grond van alle omstandigheden van het geval de hoogte van de vergoeding ingevolge artikel 7:681 BW te bepalen (HR 12 februari 2010, LJN BK4472, NJ 2010, 494). Het hof heeft dan ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, noch zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, door de ingevolge artikel 7:681 BW verschuldigde schadevergoeding in dit geval te berekenen op het verschil tussen de WW-uitkering waarop werknemer in geval van werkloosheid gedurende 22 maanden recht zou hebben en zijn laatstverdiende salaris. Daarbij is mede van belang dat werknemer aan dit deel van zijn vordering uitsluitend inkomstenderving ten grondslag had gelegd, terwijl de door hem gestelde immateriële schade door het hof apart is beoordeeld (en afgewezen).