Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 juni 2013
ECLI:NL:RBZWB:2013:CA3725
Vereniging Laurentius/werknemer
Werknemer is als directeur Klant & Markt in dienst van Laurentius. Hij is in 2012 geschorst, nadat de statutair bestuurder van Laurentius is gearresteerd op verdenking van onder meer fraude en oplichting. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat een concrete onderbouwing van de schorsing van werknemer ontbreekt en heeft de vordering tot wedertewerkstelling op 10 oktober 2012 toegewezen (zie AR 2012-0905). Op 18 oktober 2012 is werknemer opnieuw geschorst. Sinds 31 oktober 2012 is werknemer arbeidsongeschikt. Thans verzoeken zowel Laurentius als werknemer ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Nu beide partijen het erover eens zijn dat de arbeidsovereenkomst ontbonden moet worden, wordt daartoe overgegaan. Laurentius stelt dat geen vergoeding dient te worden toegekend, omdat sprake is van een dringende reden. Uit het integriteitsonderzoek is volgens Laurentius gebleken dat werknemer zich heeft schuldig gemaakt aan onder meer veelvuldig declaratiegedrag, wangedrag, seksuele intimidatie en negatief voorbeeldgedrag. Tot slot voert Laurentius aan dat werknemer als topfunctionaris in de zin van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) dient te worden aangemerkt.
De kantonrechter is van oordeel dat werknemer ten onrechte niet gehoord is gedurende het integriteitsonderzoek door Meelis & Partners. Nu werknemer echter op 11 maart 2013 in zijn verweerschrift en ter zitting heeft gereageerd op het rapport, is het rapport niet onbruikbaar. Het ontvangen van (verkapte) beloningen, salariëring boven de geldende normen, het na zijn schorsing (laten) wissen van de iPad en mobiele telefoon, de buitensporige declaraties (voor lunches en diners) en het nuttigen van alcohol onder werktijd worden werknemer verweten. Anderzijds wordt meegewogen dat het integriteitsonderzoek een lange periode in beslag heeft genomen, hetgeen onzekerheid en spanningen voor werknemer met zich heeft gebracht, dat werknemer arbeidsongeschikt is geraakt als gevolg van het ontstane arbeidsconflict en dat Laurentius – ondanks het arbeidsconflict – sinds de ziekmelding van werknemer (nagenoeg) geen enkele belangstelling voor hem heeft getoond, hetgeen wel van een goed werkgever mag worden verwacht. Gelet op deze omstandigheden, is sprake van een verandering in de omstandigheden die in overwegende mate aan werknemer te wijten is.
De WNT is niet rechtstreeks van toepassing. Wel staat vast dat Laurentius een krachtens de Woningwet toegelaten rechtspersoon is. Werknemer is een topfunctionaris in de zin van de WNT. Artikel 2.10 WNT bepaalt – kort gezegd – dat partijen wegens de beëindiging van het dienstverband geen hogere uitkering mogen overeenkomen dan € 75.000. Uit de WNT blijkt ook dat de rechter niet aan dit maximum is gebonden. Dat wil echter niet zeggen dat hij geen rekening zou moeten houden met wetgeving als de onderhavige. Ook voor een rechter is de WNT normerend bij de beoordeling van zaken die aan hem worden voorgelegd. De WNT zou bovendien aan kracht verliezen wanneer partijen ervan af zouden zien afspraken te maken over de uitkering en zich tot de rechter zouden wenden, omdat de rechter de vrije hand zou hebben (en nemen). Indien bij de begroting van de vergoeding de kantonrechtersformule zou worden toegepast zou, met toepassing van de factor C=0,5, een vergoeding van globaal € 160.000 worden toegekend. Rekening houdend met het bepaalde in de WNT, en nu er geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken die een hogere dan wel een lagere vergoeding rechtvaardigen, wordt een vergoeding van € 75.000 toegewezen. Ingevolge artikel 7:685 leden 9 en 10 BW zal aan beide partijen een termijn worden geboden om hun verzoek in te trekken.