Rechtspraak
werknemer/werkgever
Werknemer is op 22 april 1985 in dienst getreden bij X B.V. in de functie van kraanmachinist. Werknemer is in 2005 wegens arbeidsongeschiktheid uitgevallen. In het kader van re-integratie is werknemer in 2006 gaan werken als terreinchef. Er is overeengekomen is dat hij zijn ervaringstoeslag behoudt. In 2007 is hij ook voor deze werkzaamheden uitgevallen. Thans verricht werknemer passende werkzaamheden als chauffeur/algemeen medewerker. Partijen twisten over de vraag of werknemer ook voor deze (nog) lagere functie recht heeft op de ervaringstoeslag. De werkgever meent van niet, daar werknemer reeds het oude (veel hogere) loon ontvangt voor deze functie.
Het hof oordeelt als volgt: zolang de passende arbeid niet de bedongen arbeid is, heeft dat voor werkgever het nadelige gevolg dat zij in beginsel het salaris dient door te betalen voor de bedongen arbeid. Partijen hebben daarover immers geen andere afspraken gemaakt, en werkgever heeft zich niet op een beding als bedoeld in artikel 7:613 BW beroepen en evenmin op artikel 7:611 BW ter aanpassing van arbeidsvoorwaarden (vgl. het arrest Stoof/Mammoet, HR 11 juli 2008, LJN: BD1847 ). Werkgever heeft voorts niet onderbouwd dat de onderhavige arbeidsvoorwaarde bepaalt, dat het recht op de toeslag vervalt wanneer een reeds meer dan vijf jaar gediplomeerde kraanmachinist in een andere (passende) functie in haar dienst blijft. Het voorgaande brengt met zich mee dat het hof de vordering tot maandelijkse betaling van de ervaringstoeslag zal toewijzen.