Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Amersfoort), 17 juli 2013
ECLI:NL:RBMNE:2013:3096
werkneemster/Haskoning DHV Nederland B.V.
Werkneemster is sinds 2007 in dienst van Haskoning als senior-adviseur. Aan werkneemster is bij indiensttreding een leaseauto ter beschikking gesteld. In het voorjaar van 2013 heeft werkneemster in verband met de naderende einddatum van het leasecontract een aanvraag bij Haskoning ingediend voor een nieuwe leaseauto. Deze is haar geweigerd, kort gezegd omdat zij niet voldoet aan het vereiste aantal zakelijke kilometers. Thans stelt werkneemster dat de leaseauto een arbeidsvoorwaarde is en dat Haskoning niet gerechtigd is deze eenzijdig te wijzigen.
De kantonrechter oordeelt als volgt: voorshands aannemelijk is dat de leaseauto onderdeel is geweest van de arbeidsvoorwaardelijke onderhandelingen voorafgaande aan de indiensttreding van werkneemster bij Haskoning en dat haar op basis hiervan een leaseauto is toegekend. Bij indiensttreding is het aantal zakelijke kilometers geraamd op 20.000 kilometer per jaar. Gelet op de door werkneemster jaarlijks doorgegeven kilometers is deze inschatting veel te hoog geweest. In artikel 9.6 Leaseautoregeling is bepaald dat als de inhoud van het werk, de functie of het dienstverband wijzigt en de werknemer daarmee niet meer structureel aan de toekenningscriteria voldoet, Haskoning de toekenning van een leaseauto opnieuw kan bezien. De in dit artikel genoemde situaties zijn in redelijkheid gelijk te stellen aan de situatie waarin de leidinggevende bij het aangaan van de overeenkomst een verkeerde inschatting heeft gemaakt van het aantal door de werknemer te rijden zakelijke kilometers per jaar, zoals in het onderhavige geval. Haskoning heeft werkneemster gedurende de jaren 2008 tot en met 2012 in het bezit gelaten van de leaseauto en heeft geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid de leaseauto tussentijds terug te nemen. Op basis hiervan heeft werkneemster er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat de leaseauto tot haar arbeidsvoorwaarden is gaan behoren en dat zij op grond daarvan recht heeft op het behoud van een leaseauto. Bovendien heeft Haskoning niet gesteld dat zij werkneemster bij aanvang van de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk heeft gewezen op de duur van het leasecontract met de leasemaatschappij en dat het recht op de leaseauto na afloop van de duur van het leasecontract opnieuw zal moeten worden bezien. Het beroep van Haskoning op artikel 7:611 BW faalt. Voldoende aannemelijk is dat de netto autokosten van werkneemster met € 400 per maand stijgen indien Haskoning haar geen nieuwe leaseauto toekent. Gelet op de hoogte van haar salaris is dit een substantieel bedrag. In dit licht bezien kan naar redelijkheid niet van werkneemster verwacht worden dat zij ingaat op het voorstel van Haskoning nu dit geen structurele compensatie biedt, doch slechts een tijdelijke compensatie voor de duur van drie maanden na afloop van het laatste leasecontract.