Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Hoorn), 18 maart 2013
ECLI:NL:RBNHO:2013:8613
G. Noor B.V./werknemer
Werknemer is sinds 1970 dan wel 1974 in dienst van Noor, een onderneming op het gebied van de aanneming van grond-, weg- en waterbouw. Hij is werkzaam in de functie Stratenmaker. Noor verzoekt ontbinding wegens bedrijfseconomische redenen. Aangevoerd wordt dat door de crisis sinds 2011 grote verliezen zijn geleden. Noor beoogt 15 arbeidsplaatsen te laten vervallen. De functie van werknemer komt volledig te vervallen. Voor werknemer zijn geen herplaatsingsmogelijkheden binnen Noor. Noor heeft toestemming gekregen van het UWV voor opzegging van de arbeidsovereenkomsten. Omdat werknemer ziek is, is voor hem een ontbindingsverzoek ingediend. Werknemer betwist de bedrijfseconomische redenen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het ontbindingsverzoek houdt geen verband met een opzegverbod. Noor heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat haar omzet en bedrijfsresultaten sinds 2011 zodanig slecht zijn dat ingrijpen in de bedrijfsvoering noodzakelijk is. Dat andere passende functies binnen Noor aanwezig zijn, is niet gebleken. De arbeidsovereenkomst wordt derhalve ontbonden. Ten aanzien van de vergoeding wordt overwogen dat Noor thans een negatief eigen vermogen en een slechte liquiditeitspositie heeft. Aannemelijk is dat toekenning van een ‘neutrale’ vergoeding aan alle af te vloeien werknemers waarschijnlijk zal leiden tot een faillissement van Noor. Anderzijds heeft Noor die slechte liquiditeitspositie en dat negatieve eigen vermogen deels aan zichzelf te wijten door de uitbetaling van € 700.000 dividend in 2010, in welke periode de problemen in de bouw zich al ruimschoots hadden geopenbaard. Niet valt in te zien waarom Noor niet in 2010 en 2011, toen de economische druk toenam, een financiële voorziening voor eventueel af te vloeien werknemers heeft genomen. Door dit niet te doen, heeft Noor niet als goed werkgever gehandeld. Er wordt een vergoeding toegekend met een C-factor van ongeveer 0,5. Als datum van indiensttreding wordt, gelet op de overgelegde loonstroken, 25 juni 1970 gehanteerd. Als beloningsgrondslag wordt het brutoloon minus de WAO-uitkering gehanteerd. Met het oog op alle (overige) omstandigheden van het geval, komt een ontbindingsvergoeding van € 37.000 bruto ten laste van Noor billijk voor. Uitdrukkelijk buiten beschouwing wordt gelaten de vraag of werknemer in 2012 geheel arbeidsongeschikt is geraakt doordat Noor hem niet-passende werkzaamheden heeft opgedragen.