Rechtspraak
werknemer/gemeente Rotterdam
Werknemer is in het kader van een ‘Arbeidsovereenkomst Wiw 2jr’ (een WSW-regeling) per 1 december 2003 voor de duur van twee jaar bij de gemeente Rotterdam (afdeling Werkstad) in dienst getreden. De gemeente heeft de arbeidsovereenkomst op 16 juni 2005 tegen 1 augustus 2005 opgezegd. Werknemer heeft op 30 juni 2005 vernietiging van de opzegging en subsidiair herstel van de arbeidsovereenkomst wegens kennelijke onredelijke opzegging gevorderd. Daarna heeft enige correspondentie tussen partijen plaatsgevonden. Werknemer heeft uiteindelijk de gemeente gedagvaard en schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag gevorderd. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen omdat deze zou zijn verjaard op grond van artikel 7:683 BW nu sinds de laatste handeling geen stuiting meer had plaatsgevonden conform artikel 3:317 lid 1 BW. Het hof bekrachtigde dit oordeel van de kantonrechter, nu er volgens het hof tegen dit onderdeel geen grieven waren gericht.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Het oordeel van het hof dat werknemer geen grieven heeft gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de op de artikel 7:681 en 7:677 BW gebaseerde vorderingen ingevolge artikel 7:683 BW zijn verjaard, is onbegrijpelijk gelet op de inhoud van de grieven 1 (verjaring van art. 7:683 BW geldt niet voor de vordering van verlofuren, overuren, reiskosten en buitengerechtelijke kosten zodat de rechter hier niet zonder meer aan voorbij had mogen gaan) en 2 (de stelling van werknemer dat hij nog een brief op 14 februari 2006 heeft gestuurd), gelezen in onderling verband en in samenhang met de bij die grieven gegeven toelichtingen, temeer nu de gemeente blijkens haar memorie van antwoord deze grieven heeft opgevat in de door werknemer bedoelde zin. Het bestreden arrest kan derhalve niet in stand blijven. Verwijzing dient te volgen voor onderzoek of stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden.