Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 30 oktober 2013
ECLI:NL:RBMNE:2013:5404
werkneemster/Albert Heijn B.V.
Werkneemster is sinds 1989 in dienst van Albert Heijn, laatstelijk in de functie van algemeen medewerkster. Bij het vullen van de winkelschappen wordt gebruik gemaakt van ‘rolly’s’. Een rolly is een stalen frame op wieltjes waarop kunststoffen kratten kunnen worden opgestapeld. Op 7 december 2010 is werkneemster gevallen over een rolly die voor de koeling stond in het niet voor het publiek toegankelijke gedeelte van de afdeling deli/kaas. Werkneemster heeft als gevolg van haar val letsel opgelopen. Zij heeft Albert Heijn aansprakelijk gesteld voor het ongeval, primair op grond van artikel 7:658 BW, subsidiair op grond van artikel 6:170 BW.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Albert Heijn hanteert een beleid waaruit blijkt dat zij zich er bewust van is dat een rolly het gevaar van struikelen met zich kan brengen en de gevolgen van een val kan vergroten. De door haar gehanteerde uitgangspunten zijn erop gericht dit gevaar te voorkomen. Met de maatregel dat lege rolly’s worden weggebracht wordt voorkomen dat rolly’s zonder noodzaak op de afdeling staan. Met het aanwijzen van een vaste plek voor het opstellen van de rolly’s wordt bewerkstelligd dat de werknemers op die plaats bedacht kunnen zijn op de aanwezigheid van een rolly. Daarbij is er ook rekening mee gehouden dat de rolly in voorkomende gevallen korte tijd onbeheerd op de afdeling staat. Juist de aangewezen vaste plek is bedoeld om in zo’n geval een ongeval te voorkomen. Voorts volgt de kantonrechter Albert Heijn in haar stelling dat ook een uitgeladen rolly waar lege kratten op staan, voldoende zichtbaar is. Uit diverse getuigenverklaringen blijkt voorts dat Albert Heijn in de praktijk uitvoering heeft gegeven aan het beleid voor het gebruik van de rolly. Albert Heijn heeft voldoende aan haar zorgplicht voldaan, zodat het beroep op artikel 7:658 BW faalt.
Ook het beroep op artikel 6:170 BW faalt. De rolly stond op de vaste en bij de medewerkers bekende plaats, zodat collega X erop mocht vertrouwen dat een andere werknemer op de aanwezigheid van de rolly bedacht kon zijn. Dat werkneemster zelf van mening is dat deze aangewezen plek niet ideaal was, laat onverlet dat zij er rekening mee diende te houden dat de rolly daar regelmatig werd neergezet. Voor X was dan ook niet voorzienbaar dat werkneemster over de rolly zou struikelen, zodat er voor haar ook geen reden was om extra te waarschuwen toen zij zag dat werkneemster naar de afdeling deli/kaas liep.