Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Algemene Verpakkings Industrie BV
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 10 december 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:9450

werknemer/Algemene Verpakkings Industrie BV

Temporeel bereik concurrentiebeding gematigd tot één jaar onder verwijzing naar ‘op dat punt niet omstreden wetsvoorstel 28 167’. Beroep van werknemer op wetsvoorstel 33 818 (Werk en Zekerheid) faalt

Werknemer (53 jaar) is van 1 november 2007 tot 1 mei 2013 in dienst geweest bij AVI, aanvankelijk als accountmanager en laatstelijk als hoofd marketing en verkoop. Op de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding van toepassing met een temporeel bereik van twee jaar. De arbeidsovereenkomst is door ontbinding tot een einde gekomen. Werknemer is thans werkloos en heeft een WW-uitkering. Hij wenst als verkoopadviseur in dienst te treden bij Sylvaphane, een concurrent van AVI. De centrale vraag is of AVI werknemer nog aan het concurrentiebeding kan houden. Volgens werknemer is dit niet het geval omdat het beding na zijn functiewijziging tot hoofd marketing ‘zwaarder is gaan drukken’. Voorts meent hij dat zijn belangen onevenredig zwaar worden geschaad.

Het hof oordeelt als volgt. Anders dan werknemer stelt acht het hof onvoldoende sprake van een ingrijpende wijziging van de arbeidsverhouding. Hoewel sprake is van een uitbreiding van taken, zijn ze niet zo ingrijpend te noemen. Voorts ziet het hof niet in dat daardoor het beding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. Met betrekking tot de algemene belangenafweging oordeelt het hof dat het zeer waarschijnlijk is dat ook de bodemrechter in aanmerking zal nemen dat er in het algemeen geen reden is voor een concurrentiebeding met een langere duur dan één jaar, zoals was voorgesteld in het, op dat punt niet omstreden, uiteindelijk in 2006 in de Eerste Kamer gesneuvelde wetsvoorstel 28 167 (zie ook Asser/Heerma van Voss 7-V 2012/223). Door AVI zijn geen steekhoudende redenen opgegeven waarom die maximumtermijn in dit geval niet zou volstaan. Een matiging van het concurrentiebeding tot 1 maart 2014 lijkt derhalve in de rede te liggen.

Tot een verdergaande beperking met het beroep op vrije arbeidskeuze, zoals werknemer heeft bepleit, kan het hof in het kader van een voorlopige voorziening, waarbij rekening moet worden gehouden met het verwachte oordeel van de bodemrechter, niet overgaan. In het zeer onlangs door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid openbaar gemaakte wetsvoorstel Werk en Zekerheid (Kamernummer tijdens de behandeling nog onbekend) worden de gevallen waarin een concurrentiebeding mag worden overeengekomen weliswaar beperkt (en dient de werkgever het beding aan te vullen met een zwaarwichtig bedrijfs- of organisatiebelang dat het beding noodzakelijk maakt), maar het voorziene overgangsrecht daarbij (art. XXIII onder 1) laat bedingen in bestaande overeenkomsten intact. De wetgever heeft in dit wetsvoorstel ook geen aanleiding gezien om (in het belang van die vrije arbeidskeuze, de arbeidsmobiliteit en de WW-kas) het criterium voor toekenning van een vergoeding als bedoeld in het huidige vierde lid van artikel 7:653 BW te verruimen. Een additionele vergoeding acht het hof niet meer op zijn plaats (lid 4).