Rechtspraak
A/B
(Vervolg op AR 2013-212.) Beide partijen zijn actief (geweest) in de kinderopvangbranche. A dreef een kinderdagverblijf via haar bv onder de naam ‘X’ te Y, B heeft een eenmanszaak, onder de naam ‘Kindercentrum Z’, met onder meer een vestiging in Y. Partijen hebben twee, ongedateerde, overeenkomsten opgemaakt en ondertekend. Blijkens de ene overeenkomst is A met ingang van 1 mei 2009 als beleidsmedewerkster in dienst getreden van kindercentrum (B), voor de duur van twaalf maanden met een proeftijd van twee maanden, van rechtswege eindigend op 1 mei 2010 tegen een salaris van € 2.730,03 per maand. Blijkens de andere is B als pedagogisch medewerkster in dienst getreden van de vestiging van BV X, vertegenwoordigd door A voor de duur van één jaar met ingang van 1 mei 2009, eindigend van rechtswege op 30 september 2009, waarbij de eerste twee maanden als proeftijd zijn aangemerkt, tegen een salaris van € 2.703,03 [waarschijnlijk ook 2.730,03; toev. red.] bruto ex vakantiegeld. Beide partijen hebben elkaar gedurende twee maanden loon uitbetaald. A heeft B aangeschreven en 16 maanden loon gevorderd. B stelt zich op het standpunt dat partijen nimmer beoogd hebben een arbeidsrelatie met elkaar aan te gaan, maar dat A voor het verkrijgen van een geldlening een dienstbetrekking nodig had. B heeft daarin gefaciliteerd en wilde als zekerheid een overeenkomst met A. De loonbetalingen gedurende de eerste twee maanden vonden plaats om het ‘echt’ te laten lijken. A stelt zich op het standpunt dat zij wel degelijk werkzaamheden heeft verricht, onder meer bestaande uit een verkennend onderzoek voor B in Suriname. Het hof oordeelde bij tussenarrest als volgt. Het feit dat er twee overeenkomsten zijn en A eerst een jaar na de laatste loonbetaling een beroep op het bestaan van een arbeidsovereenkomst doet, pleit niet in haar voordeel. Gelet op het gemotiveerde bewijsaanbod dat A heeft gedaan zal het hof haar toelaten tot het bewijs van haar stelling dat tussen haar als werkneemster en B als werkgeefster een gezagsverhouding bestond, dat zij in het kader van de arbeidsovereenkomst werkzaamheden voor B heeft verricht die bestonden uit het opstellen van beleidsplannen, het bijhouden van personeelsdossiers, het voorbereiden en soms bijwonen van gesprekken met werknemers en het aanspreken van contacten ten behoeve van de realisatie van een filiaal van ‘Kindercentrum’ in Suriname.
Het hof oordeelt thans als volgt. Het hof is van oordeel dat de verklaringen van B (verklaarde opnieuw dat de arbeidsovereenkomst in het kader van een geldlening was gesloten maar niet om echt als arbeidsovereenkomst te dienen), X (beleidsmedewerker van B die verklaarde zelf de beleidsstukken te hebben geschreven) en klusjesman Y (verklaarde dat hij wel klusjes voor A heeft gedaan, maar A nooit bij B heeft gezien), in onderlinge samenhang, de verklaring van getuige A (nichtje van A en daardoor qua bewijskracht niet sterk) voldoende weerspreken, zodat het hof A niet geslaagd acht in haar bewijsopdracht.