Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 9 januari 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:74

werknemer/werkgever

Op grond van de in de CAO Bakkerbedrijf opgenomen afwijking van de ketenregeling is de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege geëindigd. Richtlijnconforme uitleg artikel 7:668a BW staat aan afwijking van ketenregeling in cao niet in de weg. Werknemer niet-ontvankelijk in ontbindingsverzoek

Werknemer is op 1 september 2009 als leerling-bakker in dienst getreden van een bakkerij. In eerste instantie was een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 1 oktober 2010 overeengekomen. Op 1 oktober 2010 is de arbeidsovereenkomst met een jaar verlengd en per 1 oktober 2011 is de arbeidsovereenkomst stilzwijgend voortgezet. In de arbeidsovereenkomst is de CAO Bakkersbedrijf van toepassing verklaard. In artikel 6.7 van de cao is voor leerlingen een afwijking van de ketenregeling opgenomen. De laatste arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd indien: arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 72 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden of meer dan zes voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden. Werkgever heeft te kennen gegeven dat de arbeidsovereenkomst op 30 september 2013 van rechtswege eindigt. Werknemer verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een vertrouwensbreuk, onder toekenning van een vergoeding van € 8.000.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Het standpunt van werkgever, inhoudende dat de arbeidsovereenkomst al van rechtswege is geëindigd, wordt gevolgd. In de cao is rechtsgeldig afgeweken van de ketenregeling. Werknemer valt onmiskenbaar onder de afwijking in de cao. Ook indien de stelling van werknemer feitelijk juist is dat er geen sprake was van een leerelement bij het uitvoeren van de werkzaamheden en dat hij steeds ook werkzaamheden heeft verricht die niet pasten bij het niveau van de opleiding die hij volgde, maakt voormelde conclusie niet anders. De kantonrechter onderzoekt ambtshalve of een richtlijnconforme uitleg van artikel 7:668a (lid 5) BW aan toepasselijkheid van artikel 6.7 cao in de weg staat. Geoordeeld wordt dat dit niet het geval is. Aan punt 1 van clausule 5 van de raamovereenkomst (geïmplementeerd in Richtlijn 1999/70/EG) is voldaan: de objectieve reden die vernieuwing van overeenkomsten voor bepaalde tijd rechtvaardigt is vastgesteld, de maximale totale duur van de opeenvolgende arbeidsovereenkomsten is vastgesteld (72 maanden) en het aantal malen dat dergelijke overeenkomsten mogen worden vernieuwd is vastgesteld (zes maal). Werknemer wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.