Rechtspraak
Hoge Raad, 1 november 2013
ECLI:NL:PHR:2013:1145
Stichting Raad van Overleg in de Metalektro en Stichting Pensioenfonds van de Metalektro/Adimec Advanced Image Systems B.V.
(Cassatieberoep van AR 2012-0663.) In deze zaak staat de vraag centraal of Adimec valt onder de werkingssfeer van de algemeen verbindend verklaarde CAO voor de Metalektro en de Verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro. Adimec is een onderneming die zich richt op het ontwikkelen, vervaardigen dan wel assembleren, alsmede het verkopen van (hightech) camera’s voor industriële en medische toepassingen en voor de overheid. Bij haar zijn 78 werknemers werkzaam in 70,64 fte (1 fte = 40 werkuren per week). De algemeen verbindend verklaarde Regeling Werkingssfeer luidt: ‘Tot de “Metalektro” behoren (…) ondernemingen waarin, rekening houdende met het in de bedrijfstak geldende normale aantal arbeidsuren, in de regel gedurende ten minste 1.200 uren per week door bij die onderneming in dienst zijnde werknemers als bedoeld in artikel 1 lid 1 van deze overeenkomst, doch met inachtneming van het gestelde onder 5 t/m 14 en 18, werkzaamheden worden verricht en waarin: a. uitsluitend of in hoofdzaak het bedrijf van be- en/of verwerken van metalen wordt uitgeoefend, waaronder onder meer wordt verstaan: 1e het aanleggen, assembleren, construeren, demonteren, (...) samenstellen, (…) vervaardigen (…) van metaal (…) of metalen apparaten, (…) alles in de ruimste zin des woords, zoals (…) instrumenten (waaronder optische apparaten), (…).’ Adimec heeft zich op het standpunt gesteld dat haar zwaartepunt op knowhow en R&D rust en niet op de bewerking van metaal. Zodoende dient die taak (R&D) buiten beschouwing gelaten te worden met als gevolg dat zij niet voldoet aan de werkingssfeerbepaling. De kantonrechter en het hof hebben Adimec in het gelijk gesteld.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Het middel klaagt dat het hof heeft miskend dat Adimec haar omzet haalt met het afleveren van door haar geassembleerde metalen apparaten en zij daarom is aan te merken als een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak dergelijke producten assembleert. Daaraan doet volgens het middel niet af dat voor het assembleren de inzet is vereist van haar R&D-afdeling en dat Adimec (aldus) zelf de door haar geassembleerde hightechcamera’s ontwerpt en ontwikkelt en dat het zwaartepunt van de bij Adimec gewerkte arbeidsuren op productontwikkeling en onderzoek ligt. Die activiteiten zijn aan te merken als dienstbaar – en niet als nevengeschikt – aan het afzetten van de geassembleerde camera’s en moeten (daarom) worden toegerekend aan de assemblage van de camera’s, aldus het middel. Het middel doet daartoe een beroep op het Vector-arrest van de Hoge Raad (HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9889, NJ 2012/142), dat op de uitleg van dezelfde cao-bepaling betrekking heeft. Het middel faalt. Volgens lid 2 aanhef en onder a van de Regeling Werkingssfeer – welke regeling recht is in de zin van artikel 79 Wet RO, nu zij als onderdeel van de cao algemeen verbindend is verklaard – is beslissend of de bedrijfsuitoefening van de onderneming uitsluitend of in hoofdzaak het ‘be- en/of verwerken van metalen’ betreft als bedoeld en nader omschreven in die bepaling. De bedrijfsactiviteit van Adimec bestaat in hoofdzaak in het in nauw overleg met de afnemer ontwerpen en ontwikkelen van geavanceerde en gespecialiseerde hightechcamera’s. De uiteindelijke assemblage van die camera’s – de enige fase van de productie en dienstverlening van Adimec die kan worden aangemerkt als het ‘be- en/of verwerken van metalen’ in genoemde zin, en welke assemblage uitsluitend plaatsvindt als een uitvloeisel van het ontwerpen en het ontwikkelen van een camera – vormt slechts een ondergeschikt onderdeel van haar activiteiten. De door het hof aan deze feiten verbonden slotsom dat de onderneming van Adimec (dus) niet valt onder de werkingssfeerbepaling van lid 2 aanhef en onder a Regeling Werkingssfeer, is juist. Aan de juistheid van het oordeel van het hof doet niet af dat ontwerp en ontwikkeling in een onderneming vaak ondergeschikt zullen zijn aan of uitsluitend ten dienste zullen staan van de (eigenlijke) bedrijfsactiviteiten. De vaststelling van het hof houdt immers in dat in dit geval ontwerp en ontwikkeling juist kern en zwaartepunt van (en dus) de (eigenlijke) bedrijfsactiviteiten vormen. Die vaststelling is gelet op de door het hof in r.o. 7 vermelde feiten alleszins begrijpelijk. Evenmin doet aan de juistheid van het oordeel van het hof af dat Adimec uitsluitend betaling verlangt voor haar werkzaamheden als het tot levering van een camera komt. Dat brengt immers geen verandering in de aard en het karakter van haar bedrijfsactiviteiten. Gelet op een en ander komt het oordeel van het hof ook niet in strijd met het Vector-arrest. Daarin ging het immers uitsluitend om de toerekening van arbeidsuren van activiteiten die ondergeschikt zijn aan de eigenlijke bedrijfsactiviteiten van de onderneming.