Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting X
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 december 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:9683

werkneemster/Stichting X

Indien werkneemster niet bekend was met het feit dat de geluidbelasting door de afwasmachine normoverschrijdend was, dan kan haar niet worden verweten niet eerder de werkgever aansprakelijk te stellen. Geen sprake van verjaring. Eventueel beroep op buiten toepassing laten van verjaring middels artikel 6:248 BW faalt.

In deze zaak staat de vraag centraal of de vordering tot schadevergoeding wegens werkgerelateerde gehoorschade inmiddels is verjaard. De stichting voert aan dat uit het eerst na dit oordeel overgelegde medische dossier blijkt dat werkneemster de vereiste bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon reeds bezat vóór 8 september 1999. Zij wijst met name op het medische dossier als gevoegd achter het deskundigenbericht, op de brief van de bedrijfsarts van 7 juni 1994 en op het huisartsenjournaal. Werkneemster heeft zich tegen het beroep op verjaring verweerd. Zij voert aan dat zij niet vóór 8 september 1999 daadwerkelijk in staat was een vordering in te stellen, omdat zij pas in 2004, na kennisname van het rapport van de Stichting Bedrijfsgezondheidsdienst (hierna: BGD) van 9 april 1990, wist dat de stichting de aansprakelijke persoon was. Zij betwist de brief van de bedrijfsarts van 7 juni 1994 te hebben ontvangen. Voorts stelt zij dat de stichting een zwalkend standpunt inneemt door enerzijds aan te voeren dat werkneemster al voor 1999 bekend was met de aansprakelijke persoon en anderzijds te betwisten dat de gehoorproblematiek van werkneemster aan de blootstelling aan lawaai tijdens het werk is te wijten. Ten slotte voert zij aan dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Het hof oordeelt als volgt. Indien werkneemster niet bekend was met het feit dat de geluidbelasting door de afwasmachine normoverschrijdend was, was zij niet daadwerkelijk in staat een vordering in te stellen. Weliswaar was er in die situatie immers sprake van geleidelijk aan toenemende slechthorendheid, gediagnosticeerd als een lawaaitrauma, maar daar staat tegenover dat werkneemster in 1990 een andere werkplek had gekregen, waarin zij niet aan een dergelijke geluidsbelasting als van de afwasmachine werd blootgesteld, dat haar directe schade als gevolg van de gehoorbeschadiging (de eigen bijdrage voor het hoortoestel) was vergoed, zodat zij op dat moment geen of geringe materiële schade leed, terwijl zij op dat moment ook niet behoefde te verwachten dat haar gehoorproblemen tot arbeidsongeschiktheid zouden leiden en haar ook niet duidelijk was dat de geluidbelasting zelfs zo hoog was dat deze de normen voor geluid op de werkplek overschreedt. Onder die omstandigheden acht het hof de feitelijke aanknopingspunten voor een aansprakelijkstelling van de werkgever onvoldoende sterk om werkneemster daadwerkelijk in staat te achten een rechtsvordering tegen de stichting in te stellen. Dat zou anders kunnen liggen indien komt vast te staan dat werkneemster al vóór 1999 bekend was met de conclusies van het eerdergenoemde rapport van BGD, te weten dat de geluidbelasting normoverschrijdend is geweest. Stichting X zal worden toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat werkneemster al vóór 1999 bekend was met de conclusies van het rapport van BGD. Daaronder zal zijn begrepen de stelling van de stichting dat werkneemster bekend was met de inhoud van de brief van de bedrijfsarts van 7 juni 1994.

Ten slotte heeft werkneemster aangevoerd dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is aangezien de stichting jarenlang haar zorgplicht jegens haar heeft geschonden. Ook dat verweer wordt verworpen. De normschending, ook al heeft die geduurd van circa 1981/1982/1983 tot in 1990, is onvoldoende voor het oordeel dat een beroep op verjaring van de daarop gebaseerde vordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Van een normschending is immers in alle gevallen, al was het maar veronderstellenderwijs, sprake. Er zijn in dit geval onvoldoende bijzondere omstandigheden om dan tot het oordeel te komen dat juist die normschending het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maakt.