Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 18 februari 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:1214
Aegon Nederland NV/werknemers
Tot hun uitdiensttreding ontvingen werknemers van Aegon een bijdrage van circa 55% van de totaal verschuldigde premie op basis van verpleegklasse 2b, tenzij er volgens cao afspraken een hoger percentage gold. In de relevante pensioenbrieven staat opgenomen dat in later schrijven de precieze invulling van de (pre)pensioenen zal volgen. De werknemers hebben deze brief getekend. In het latere schrijven is een wijzigingsbeding opgenomen dat bepaalt dat wijzigingen kunnen worden aangebracht indien sprake is van zwaarwichtige belangen. Daarvan is sprake indien een wijziging van de regeling voor ‘actieven’ plaatsvindt. In verband met de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet (Zvw) per 1 januari 2006 heeft Aegon de bijdrageregeling voor actieve medewerkers gewijzigd. In haar brief van 22 december 2005 heeft Aegon aangekondigd dat in verband met de wijziging van de Zvw voor degenen voor wie het pensioen/de vut is ingegaan voor 31 december 2005, de vanaf 1 januari 2006 te vergoeden bijdrage zal bestaan uit de structurele bijdrage.
Het hof oordeelt als volgt. De kantonrechter heeft terecht overwogen dat werknemers het hun gedane aanbod met betrekking tot prepensioen hebben aanvaard, maar dat het feit dat in dat aanbod stond dat zij bij een aparte brief van de (financiële) gevolgen met betrekking tot de pensionering op de hoogte gesteld zouden worden niet betekent dat eisers door ondertekening van die eerste brief, zich tevens akkoord hebben verklaard met het wijzigingsbeding in de tweede brief. Het gaat derhalve – aldus nog steeds de kantonrechter – om een eenzijdige wijziging van de voorwaarden, zodat moet worden getoetst of Aegon daartoe aanleiding heeft kunnen vinden, of haar voorstel redelijk is en of aanvaarding van dat voorstel – in het licht van de omstandigheden van het geval – in redelijkheid van de werknemers gevergd kan worden. De kantonrechter heeft aldus, naar het oordeel van het hof terecht (immers niet is gesteld of gebleken dat de werkgever anderzijds een eenzijdige wijzigingsbevoegdheid had), het door de Hoge Raad in zijn arrest Mammoet/Stoof (HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847) geformuleerde toetsingskader gehanteerd. Daartegen keert de grief zich overigens ook niet. Daarbij merkt het hof nog op dat het einde van de arbeidsovereenkomst niet meebrengt dat deze, bij pensioenaanspraken, is uitgewerkt (HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0566).De stelling van Aegon, erop neerkomend dat werknemers door niet (afwijzend) op de tweede brief te reageren zich (stilzwijgend) hebben gebonden aan het wijzigingsbeding, wordt door het hof gepasseerd. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – kan het enkele stilzwijgen van werknemers in de gegeven omstandigheden niet meebrengen dat Aegon er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat werknemers instemden met het wijzigingsbeding. Bij de beantwoording van de voorliggende vragen heeft de kantonrechter overwogen en beslist dat de door Aegon aan werknemers aangeboden regeling op zichzelf redelijk is, maar dat de onbillijkheid van dat aanbod zit in het onderscheid dat wordt gemaakt tussen de verschillende groepen postactieven. Aegon heeft met de Vereniging van Aegon Gepensioneerd (de VAG) een schikking getroffen, inhoudende dat postactieven een gunstige regeling kregen, voor zover in hun pensioenbrieven geen wijzigingsbeding stond opgenomen. Nu Aegon naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende zwaarwegende omstandigheden heeft aangevoerd voor het onderscheid tussen de door de VAG vertegenwoordigde groep en werknemers, kon van de laatsten in redelijkheid niet worden gevergd dat zij met het door Aegon gedane aanbod instemden.