Naar boven ↑

Rechtspraak

moeder van PGB-houder/werknemer
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 februari 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:1387

moeder van PGB-houder/werknemer

Bijzondere verhouding PGB-werkgever versus werknemer. Feitelijke arbeid voor minder dan vier dagen per week leidt tot een loondoorbetaling ex artikel 7:629 lid 2 BW van zes weken (in plaats van 104 weken) ondanks bedongen arbeid voor vijf dagen.

Werkgever (moeder van zoon, PGB-houder) heeft met werkneemster een arbeidsovereenkomst gesloten, inhoudende dat werkneemster maximaal drie dagen per week activerende begeleiding biedt aan de zoon. Partijen hebben daarbij gebruikt gemaakt van een door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gehanteerd model ‘arbeidsovereenkomst’. Nadien is afgesproken de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2010 uit te breiden tot 20 uur per week, te verrichten op vijf dagen van vier uur, tegen een vergoeding van € 28 bruto per uur. Werkneemster is vervolgens herhaaldelijk uitgevallen wegens ziekte. Thans vordert zij loon vanaf maart 2011 tot januari 2012. De kantonrechter heeft de loonvordering (grotendeels) toegewezen.

Het hof oordeelt als volgt. Vooropgesteld moet worden dat tussen partijen niet in geschil is dat de onderhavige zorgovereenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, hetgeen ook in de aanhef van de overeenkomst van 1 augustus 2009 is aangegeven. Dat brengt mee dat op deze overeenkomst de bepalingen van titel 10 van Boek 7 BW van toepassing zijn. Het hof voegt daaraan nog toe dat de wetgever zich wel van enige problemen samenhangende met het werkgeverschap van de budgethouder van een PGB bij een zorgovereenkomst bewust is geweest, maar niet heeft gekozen voor een uitzondering op het volledige werkgeverschap (zie Kamerstukken II 2002/03, 26631, 20, brief staatssecretaris d.d. 29 mei 2002 en Kamerstukken II 2002/03, 25657, 27, verslag schriftelijk overleg d.d. 12 juni 2002). De bijzondere aard van dergelijke overeenkomsten, die tussen twee natuurlijke personen worden gesloten en in de privé-omgeving van de werkgever worden ingevuld en diens persoonlijke zorg betreffen, kleurt het contract evenwel nader in en kan aldus van invloed zijn op de toewijsbaarheid van de vorderingen (vgl. ELCI:2006:GHLEE:2006:5052 en ECLI:NL:GHARL:2013:6871).

De stelling van werkgever dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd in juni 2011 wegens het uitblijven van PGB-budget, faalt. De enkele omstandigheid dat partijen samen na 1 juni 2011 een PGB-aanvraag hebben ingevuld wijst op het tegendeel. Het dient er naar ’s hofs voorlopig oordeel echter voor te worden gehouden dat de arbeid door werkneemster toen zij op 12 juni 2011 ziek werd doorgaans op drie dagen per week werd verricht. Het voorgaande brengt mee dat grief I in principaal appel (voor zover niet tegen de vastgestelde feiten gericht) slaagt en dat werkneemster slechts gedurende een tijdvak van zes weken aanspraak maakt op doorbetaling van loon tijdens ziekte.