Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 17 december 2013
ECLI:NL:GHAMS:2013:4662
Hewlett-Packard Nederland/werknemer
Werknemer is met ingang van 1 juli 1973 in dienst getreden bij een rechtsvoorganger van HP. Hij was laatstelijk werkzaam als business analist. De arbeidsovereenkomst is op verzoek van HP bij beschikking van 12 augustus 2011 door de kantonrechter te Amsterdam ontbonden met ingang van 1 september 2011. Bij die beschikking is aan werknemer ten laste van HP een ontbindingsvergoeding toegekend van € 46.500 bruto. In het toepasselijke sociaal plan is een vertrekstimuleringsregeling opgenomen. Werknemers kunnen aanspraak maken op een vergoeding van C=1,3, zij het dat deze is gemaximeerd tot het bedrag in loon dat werknemers tot aan hun pensioengerechtigde leeftijd zouden hebben ontvangen. Voor werknemer geldt – nu hij bij een rechtsvoorganger van HP heeft gewerkt – een ander pensioen dan voor ‘gewone’ HP-medewerkers. Dit betekent dat voor werknemer als pensioenleeftijd geldt 62 jaar. Voor andere werknemers is dit 65 jaar. Volgens werknemer maakt deze regeling een verboden onderscheid op grond van leeftijd en komt hem € 180.286 aan vergoeding toe. De kantonrechter heeft deze vordering – onder aftrek van het reeds toegekende in de ontbindingsprocedure – toegewezen.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof volgt HP niet in haar betoog dat werknemer niet-ontvankelijk verklaard moet worden op grond van het exclusieve karakter van de ontbindingsvergoeding. In de onderhavige procedure vordert werknemer betaling van de vertrekstimuleringsregeling op grond van het sociaal plan waarop hij in zijn visie – de volgens hem nietige bepaling waarin het hem ter zake toekomende bedrag wordt gemaximeerd tot het salaris tot zijn 62ste jaar weggedacht – aanspraak kan maken. Bij de zogenoemde Baijings-leer gaat het om aanspraken die zijn gegrond op hetgeen de redelijkheid en billijkheid of eisen van goed werkgeverschap meebrengen in verband met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De vordering van werknemer is echter niet gegrond op de redelijkheid en billijkheid of de eisen van goed werkgeverschap maar op nakoming van de in het sociaal plan neergelegde vertrekregeling. Een dergelijke vordering kan in beginsel in een afzonderlijke procedure worden ingesteld. Dat geldt temeer nu de kantonrechter uitdrukkelijk heeft overwogen dat hij niet behoefde te beslissen op de stelling van werknemer dat het sociaal plan nietig althans vernietigbaar is wegens strijd met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid.
Met betrekking tot het leeftijdsonderscheid, oordeelt het hof als volgt. HP beroept zich ter rechtvaardiging van het door haar gemaakte onderscheid erop dat zij met de in het sociaal plan opgenomen regeling heeft gestreefd naar een uitgebalanceerd plan binnen het beschikbare budget, dat recht deed aan de verschillende groepen werknemers binnen HP. De gewraakte maximering op de pensioenrichtleeftijd zorgt er in dat verband voor dat werknemers die deelnemen aan Pensioenreglement I niet oneigenlijk verrijkt worden door het ontvangen van een – op grond van hun lange dienstverband – relatief hoge ontslagvergoeding terwijl ze ook aanspraak hebben op een overbruggingspensioen. Door de maximering kunnen de beschikbare middelen eerlijker over alle door de reorganisatie getroffen werknemers worden verdeeld. Het is een legitiem doel te bevorderen dat de voor ontslagvergoedingen beschikbare middelen worden verdeeld onder alle bij dat ontslag betrokkenen en niet (vrijwel) geheel ten goede komen aan de oudere werknemers, die bovendien aanspraak kunnen maken op een overbruggingspensioen. Het hof acht de regeling ook passend en noodzakelijk. De vordering van werknemer wordt alsnog afgewezen.