Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 maart 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:1806
Travel Retail Innovations B.V./werknemer
(Herroeping van AR 2012-0318.) TRI drijft een onderneming die zich bezighoudt met de groothandel en distributie van hightechproducten aan luchthavens, duty-free shops en airlines. Werknemer is op 1 december 2009 in dienst getreden van TRI in de functie van magazijnmedewerker op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (tot 1 juni 2011). Op 5 augustus 2010 heeft TRI werknemer op staande voet ontslagen wegens ‘het zonder toestemming meenemen van eigendommen van TRI en het verkopen daarvan op www.marktplaats.nl’. Werknemer heeft de nietigheid van het ontslag ingeroepen en gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging gevorderd. Zowel in eerste als tweede aanleg heeft werknemer gelijk gekregen. De politierechter te Lelystad heeft werknemer op 6 februari 2013 bij verstek veroordeeld wegens ‘verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft’, gepleegd ‘in de periode van 1 mei 2010 tot en met 5 augustus 2010 te Almere’. Thans vordert TRI herroeping van het arrest van het hof. TRI heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd (voor zover thans relevant en samengevat) dat door de onherroepelijke veroordeling van werknemer vaststaat dat hij bedrog heeft gepleegd in de procedure die is uitgemond in het arrest van het hof van 3 april 2012. Dit zou volgens TRI moeten leiden tot herziening van genoemd arrest en tot veroordeling van werknemer tot terugbetaling van al hetgeen TRI op basis van de veroordelingen door de kantonrechter en het hof aan werknemer heeft voldaan.
Het hof oordeelt als volgt. Het begrip ‘bedrog’ zoals hier aan de orde, dient ruim te worden opgevat. Daaronder kan ook vallen het verzwijgen van feiten die tot een voor de wederpartij gunstige afloop van de procedure zouden hebben kunnen leiden. De veroordeling van werknemer is op zichzelf beschouwd een feit dat, indien dit bij het hof ten tijde van de appelprocedure bekend zou zijn geweest, mogelijk tot een voor TRI gunstige(r) afloop van de procedure had kunnen leiden. De onherroepelijke veroordeling van werknemer voor verduistering in dienstbetrekking heeft dan weliswaar geen dwingende, maar wel vrije bewijskracht. De veroordeling rechtvaardigt minstgenomen het sterke vermoeden dat werknemer wel de verduistering heeft gepleegd waarvan TRI hem heeft beschuldigd, maar waarvan zij het bewijs nochtans niet wist te leveren. Alles bij elkaar genomen oordeelt het hof de aangevoerde grond voor herroeping juist. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen van werknemer en van TRI en de invloed die de veroordeling van werknemer door de politierechter hierop mogelijk heeft, zal het hof het geding geheel heropenen. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor uitlatingen ex artikel 387 Rv, eerst aan de zijde van TRI.