Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 18 maart 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:1055
X c.s./Stichting Pensioenfonds ECI (in liquidatie)
X c.s. zijn in dienst geweest van een ECI-vennootschap. Zij hebben pensioen opgebouwd bij het pensioenfonds. Op 31 december 2006 zijn de rechten die X c.s. voordien op grond van het VUT-reglement van hun toenmalige werkgevers hadden, ten gevolge van de inwerkingtreding van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL), komen te vervallen. Er is een overgangsregeling opgesteld, die van toepassing is op X c.s. Ingevolge de Overgangsregeling ECI hebben X c.s. een voorwaardelijke aanspraak verkregen op extra ouderdomspensioen. Aan de arbeidsovereenkomsten van de werknemers is op 31 mei 2011 ten gevolge van een reorganisatie een einde gekomen. ECI heeft aan X c.s. het recht op extra ouderdomspensioen ingevolge de Overgangsregeling ECI toegekend. ECI heeft nagelaten de VPL-aanspraken van X c.s. te financieren door de daarvoor benodigde gelden, ter hoogte van ongeveer € 935.000, te voldoen aan het pensioenfonds. Het bestuur van het pensioenfonds heeft besloten tot opheffing van het fonds. Het pensioenfonds is ontbonden en verkeert thans in liquidatie. Op 9 januari 2014 zijn ECI Nederland B.V. en ECI Holding B.V. failliet verklaard. X c.s. stellen zich op het standpunt dat de vereffenaars van het pensioenfonds hun VPL-aanspraak ten onrechte niet hebben gehonoreerd en dat met die aanspraak bij de rekening en verantwoording van vereffening en bij het plan van verdeling ten onrechte geen rekening is gehouden. Hun recht op extra ouderdomspensioen is een onvoorwaardelijke aanspraak geworden, doordat hen bij de beëindiging van hun arbeidsovereenkomst op grond van de Overgangsregeling ECI een VPL-aanspraak is toegekend, doordat deze aanspraak is opgenomen in het initiële beëindigingsbericht van het pensioenfonds en omdat de benodigde financiering heeft plaatsgevonden doordat het pensioenfonds de aanspraken uit de eigen middelen heeft gefinancierd.
De rechtbank oordeelt als volgt. Deze verzoekschriftprocedure betreft het verzet dat X c.s. ingevolge artikel 2:23b BW hebben gedaan tegen de rekening en verantwoording van vereffening die, en het plan van verdeling dat, het bestuur in de hoedanigheid van vereffenaars van het pensioenfonds in liquidatie heeft opgesteld. Niet (langer) in geschil is dat X c.s. tijdig in verzet zijn gekomen. Bij de vereffening en verdeling van het vermogen van het pensioenfonds hebben de vereffenaars zich mede te richten naar het bepaalde in de Overgangsregeling ECI. Met de belangen van de gewezen werknemers van de aangesloten ondernemingen aan wie op grond van die regeling door hun toenmalige werkgever een toezegging is gedaan, onder wie X c.s., dient in dat verband rekening te worden gehouden. Anders dan X c.s. menen, zal in deze verzetprocedure niet kunnen worden vastgesteld wie van partijen in het geschil over hun VPL-aanspraken het gelijk aan zijn zijde heeft. Het is in de door X c.s. aanhangig gemaakte dagvaardingsprocedure dat zal moeten worden beslist of hun VPL-aanspraken, ook nu financiering door ECI ontbreekt, een onvoorwaardelijk karakter hebben gekregen – zoals X c.s. betogen – of dat die aanspraken een voorwaardelijk karakter hebben behouden omdat ECI geen koopsom heeft gestort, zoals het pensioenfonds meent. Het verzet wordt gegrond verklaard.