Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 15 april 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:3183
uitzendkracht/inlener
(Vervolg op AR 2013-0560.) Inlener exploiteert een chemische fabriek waarin grondstoffen worden geproduceerd die worden gebruikt bij de vervaardiging van zeer sterke kunstmatige vezels. Naast eigen werknemers, maakt inlener gebruik van uitzendkrachten. Zowel op grond van de ABU-CAO als op grond van de bedrijfstak-cao van de inlener, dienen uitzendkrachten conform de arbeidsvoorwaarden van de inlener te worden betaald. In de periode van 1 maart 2005 tot mei 2009 heeft werknemer als uitzendkracht van X in vijfploegendienst verladingswerkzaamheden op de Binfill-afdeling van inlener verricht. Hem is niet het inlenersloon, maar het veel lagere loon van X betaald. Werknemer heeft een loonvordering ingediend bij X. X is evenwel failliet gegaan, zodat werknemer zich thans tot de inlener wendt met een vordering uit onrechtmatige daad. Werknemer legt in appel aan zijn vordering ten grondslag dat de door X gepleegde wanprestatie (te weten: onderbetaling) een onrechtmatige daad van inlener jegens hem meebrengt. Volgens werknemer heeft inlener er onvoldoende op toegezien dat hij op gelijk niveau werd beloond als haar werknemers die dezelfde werkzaamheden verrichten. Het hof heeft bij tussenarrest als volgt geoordeeld. Op de inlener rust naar ’s hofs oordeel geen verplichting erop toe te zien dat de loonsom die zij aan X betaalde, na aftrek van de opslag voor X, door deze laatste ook daadwerkelijk aan de ingeleende krachten werd doorbetaald. Inlener had geen zicht op deze concrete uitbetalingen en deze factor is voor haar ook moeilijk te beïnvloeden. Echter indien inlener, bijvoorbeeld door na te laten bij haar eigen cao passende afspraken over beloning met X te maken, een situatie van onderbetaling heeft uitgelokt of deze voor haar profijtelijke situatie willens en wetens in stand heeft gehouden, kan dit wel degelijk onrechtmatig handelen jegens werknemer opleveren. Onbetwist is dat de inroostering van de ingeleende verladers geheel in handen van inlener was. Inlener moet dus goed zicht hebben gehad op het totaalaantal uren dat de X-verladers bij haar aan het werk waren en zodoende moet het voor haar, ook indien X haar cumulatief of als aangenomen werk factureerde, duidelijk zijn geweest op welk uurtarief de (naar uit de stukken blijkt: wekelijkse) declaraties van X waren gebaseerd. De centrale vraag in dit eindarrest is of inlener (voor 2008) onrechtmatig heeft gehandeld jegens de uitzendkrachten.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof is van oordeel dat de vergelijking van het door inlener aan de eigen werknemers in functie A6 te betalen uurloon van (ten hoogste) € 18,50 en het door Uitzendbureau X aan haar berekende tarief van (ten laagste) € 27,77 het aan haar adres gemaakte verwijt ontzenuwt. Het hof acht het verschil tussen beide bedragen niet zodanig dat inlener daaruit wel moest begrijpen dat Uitzendbureau X de uitzendkrachten tekort zou doen en haar daar aldus toe heeft aangezet. Het verschil is onvoldoende klein om de conclusie te kunnen schragen dat inlener hier op onrechtmatige wijze van de wanprestatie van Uitzendbureau X heeft geprofiteerd. Hoewel uitzendkracht er terecht op wijst dat inlener de vergelijking tussen beide bedragen ten onrechte simplificeert door het verschil ertussen volledig als winstmarge voor Uitzendbureau X te bestempelen, acht het hof dat verschil, óók rekening houdend met door Uitzendbureau X nog af te dragen werkgeverslasten en te compenseren eigen administratiekosten, zodanig groot dat inlener niet behoefde te veronderstellen dat uitzendkracht door Uitzendbureau X niet behoorlijk zou worden uitbetaald. (Zie ook parallelzaak ECLI:NL:GHARL:2014:3189.)