Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 14 januari 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:178
werkgever/werkneemster
Bij tussenarrest (ECLI:NL:GHARL:2013:2663) is onder meer aan de orde gekomen dat er grote verschillen zitten tussen de geprognosticeerde jaarcijfers ten tijde van de ontslagaanvraag voor werkneemster en de uiteindelijke cijfers zoals opgenomen in de jaarstukken. Naar het oordeel van werkneemster is sprake van een valse of voorgewende reden voor ontslag. Voorts beroept werkneemster zich op het gevolgencriterium.
Het hof oordeelt als volgt. Werkgever heeft een voldoende steekhoudende verklaring gegeven voor het verschil tussen de omzet en het resultaat in 2009 en 2010 zoals vermeld in de jaarstukken en die volgens de prognoserapportage 2009 en 2010, met name dat zijn bedrijf in 2010 minder verliesgevend was dan was geprognosticeerd en dat de echte klap pas in 2011 is gevallen. Deze situatie was het gevolg van het feit dat de beëindiging van de opdrachten door Interpolis niet met onmiddellijke ingang heeft plaatsgevonden, maar dat werkgever nog de gelegenheid kreeg om een aantal zaken af te handelen. Werkneemster heeft dit op zichzelf niet betwist. Zij heeft aangevoerd dat zij een en ander niet meer heeft meegemaakt omdat zij toen al uit dienst was. Dat het contract met Interpolis zou eindigen was een voldongen feit. Gesteld noch gebleken is dat werkgever al tijdens de procedure bij het UWV kon voorzien dat de daadwerkelijke beëindiging van de overeenkomst met Interpolis pas op (langere) termijn zou plaatsvinden. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat sprake is geweest van misleiding in die zin dat werkgever opzettelijk een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven. De opzegging door werkgever van de arbeidsovereenkomst met werkneemster is dan ook niet geschied onder opgave van een voorgewende of valse reden, zodat het ontslag op die grond niet kennelijk onredelijk is.
Met betrekking tot het gevolgencriterium oordeelt het hof als volgt. Werkneemster was ten tijde van de opzegging ruim zes jaar in dienst was bij werkgever en wasj ten tijde van de opzegging ruim 62 jaar. In die zin is geen sprake van een in de praktijk veelvoorkomende situatie waarin een werknemer op een relatief hoge leeftijd na een langdurig dienstverband wordt ontslagen. Werkneemster is betrekkelijk kort werkloos geweest, ongeveer vijf maanden, in de periode van 1 januari 2010 tot 7 juni 2010. In die periode was sprake van inkomensachteruitgang bij werkneemster, die ruim € 18.000 bedroeg. De hiervoor vermelde inkomensachteruitgang gedurende deze korte tijd, in het licht van de betrekkelijk korte duur van het dienstverband van werkneemster, is niet van dien aard dat geoordeeld zou moeten worden dat de gevolgen van de beëindiging voor werkneemster, zonder toekenning van enige financiële compensatie in deze periode, té ernstig zijn in vergelijking met het zwaarwegende bedrijfseconomisch belang van werkgever bij de beëindiging. Het enkele feit dat werkneemster ten tijde van de opzegging ruim 2,5 jaar was verwijderd van haar pensioendatum, is onvoldoende om te oordelen dat werkgever gehouden was een dergelijke voorziening te treffen.