Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Hochwald Nederland B.V.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 17 januari 2014
ECLI:NL:RBNNE:2014:2095

werknemer/Hochwald Nederland B.V.

Genoegdoening en zuivering eer en goede naam werknemer vormen geen voldoende belang voor vorderingen tot ongegrondverklaring berispingen in personeelsdossier en rectificatie, nadat de arbeidsovereenkomst al is ontbonden. Toepassing Baijings-leer ten aanzien van gevorderde schadevergoeding wegens niet nakomen vaststellingsovereenkomst.

Werknemer is op is op 2 augustus 1971 in dienst getreden bij een rechtsvoorganger van Hochwald. Laatstelijk werkte hij in de functie van productiechef melkfabriek kleinverpakkingen. Tussen partijen is een diepgaand arbeidsconflict ontstaan naar aanleiding van de overplaatsing van werknemer per 21 september 2012 naar een andere functie. Gelet op de vertrouwensbreuk, is de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een vergoeding van € 125.000 ontbonden. Werknemer heeft een verzoek tot herroeping van de ontbindingsbeschikking ingediend. Dit verzoek is afgewezen (zie AR 2014-0140). Werknemer stelt thans dat Hochwald zich door ongefundeerde verwijten te uiten niet als goed werkgever handelt. De berispingen van 21 september 2012 en 16 oktober 2012 zijn ongegrond en moeten uit het personeelsdossier worden verwijderd. Werknemer stelt dat hij belang heeft bij een rectificatie te richten aan de werknemers aan wie hij leiding geeft. Ter onderbouwing van zijn belang bij de ingestelde vorderingen – nu het dienstverband tussen partijen door ontbinding is beëindigd – heeft werknemer ter zitting gesteld dat zijn eer en goede naam zijn geschonden en dat een en ander moet worden rechtgezet.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De gevorderde verklaringen voor recht hebben alleen nog ten doel dat de eer en goede naam van werknemer gezuiverd worden en zouden gelet hierop gelden als een vorm van genoegdoening. Dit is niet is aan te merken als een voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW (HR 9 oktober 1998, NJ 1998/853 (Jeffrey-arrest)). Ook ten aanzien van de ongegrondverklaringen van de berispingen heeft werknemer onvoldoende belang, omdat de arbeidsovereenkomst is ontbonden. Werknemer vordert ook een afzonderlijke schadevergoeding op grond van niet-nakoming van dan wel handelen in strijd met (de verplichtingen uit) de vaststellingsovereenkomst. Deze vordering wordt, gelet op de Baijings-leer (vgl. HR 2 november 2001, NJ 2001/667), afgewezen. In het onderhavige geval is in de ontbindingsprocedure expliciet rekening gehouden met de perikelen die gespeeld hebben rond de vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter onderkent dat de onderhavige vordering zich wat betreft de juridische grondslag onderscheidt van de vergoeding naar billijkheid in de ontbindingsprocedure. Van belang is echter dat het zowel in de ontbindingsprocedure als in de onderhavige procedure gaat om het verkrijgen van een vergoeding voor inkomensschade verband houdend met de wijze van beëindiging van de dienstbetrekking of de gevolgen daarvan. Voor dit soort schade is de ontbindingsvergoeding nu juist exclusief bedoeld. Aan beide vorderingen ligt bovendien hetzelfde feitencomplex ten grondslag. Tot slot wordt ook de in reconventie door Hochwald gevorderde schadevergoeding afgewezen.