Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 29 april 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:3568

werknemer/werkgever

Uitleg artikel 22 lid 4 CAO Sport inzake loonsuppletie tot 100% in het tweede ziektejaar.

Werknemer is sinds 2008 in dienst van werkgever. Sinds 25 september 2012 is werknemer arbeidsongeschikt. De CAO Sport is krachtens incorporatiebeding op de arbeidsovereenkomst van toepassing verklaard. Hetgeen partijen verdeeld houdt is wat de rechtens juiste hoogte van het ‘ziekengeld’ dient te zijn in het tweede ziektejaar. Volgens werknemer heeft hij recht op 100% loon krachtens artikel 22 lid 4 CAO Sport. Dit artikellid geeft een aanvulling tot 100% van het loon in het tweede ziektejaar indien er geen uitzicht is op herstel of terugkeer vastgesteld door een arboarts.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat werknemer een ‘werknemer’ is als bedoeld in artikel 22 lid 2 onder b van de CAO Sport. Eveneens staat vast dat werknemer geen werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 22 lid 3 van deze cao. Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft de arboarts niet aangegeven dat er geen enkel vooruitzicht is op herstel van werknemer, als bedoeld in artikel 22 lid 4 van de CAO Sport. Voor zover werknemer dit wil betogen, volgt het hof hem hierin niet, gelet op hetgeen de bedrijfsarts in het kader van de periodieke evaluatie van werknemer op 3 december 2013 heeft opgemerkt. Dit behelst geenszins het oordeel dat geen enkel vooruitzicht op herstel bestaat. Voor de door werknemer bepleite aanvulling van zijn salaris tot 100% biedt artikel 22 van de CAO Sport derhalve geen aanknopingspunten. Aan werknemer kan worden toegegeven dat de toelichting bij artikel 22 van de CAO Sport, meer in het bijzonder het woord ‘tijdelijk’ daarin, kan duiden op een achterliggende ‘gedachte’ bij de contractsluitende partijen, gericht op aanvulling van het salaris tot 100% in een geval als het onderhavige. Het hof overweegt dat het niet de toelichting bij een cao is, die in voorkomend geval door de rechter moet worden uitgelegd, maar de cao-bepaling zelf. Daarin kunnen in dit geval, zoals hiervoor overwogen, naar objectieve maatstaven geen aanknopingspunten worden gevonden voor de door werknemer bepleite uitleg van artikel 22 lid 4 van de CAO Sport. Aan de hand van alleen de toelichting op een cao kunnen naar het oordeel van het hof geen bepalingen worden ingelezen die naar objectieve maatstaven niet uit de bewoordingen van de cao volgen. Dat het in dit geval gaat om een leemte in de cao die door het hof kan en ook moet worden aangevuld is door partijen niet gesteld en is ook niet aannemelijk, gelet op de wijze van totstandkoming, de aard en strekking van de cao.