Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 1 april 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:2607
werknemer/N.V. Kema
Werknemer is vanaf september 1978 tot 1 maart 2010 bij Kema in dienst geweest. Op deze arbeidsovereenkomst is de Kema-cao van toepassing. In bijlage 5 van deze cao met als titel ‘Seniorenregeling à la carte’ staat onder meer: ‘2. Uitgangspunt van de regeling is dat de werknemer gemiddeld 2 jaar eerder dan het bereiken van de spilleeftijd FPU voor 70% van de FPU-grondslag vervroegd kan uittreden. Bedoelde spilleeftijd FPU is 62 jaar. Voor werknemers die op 1 april 1997 50 jaar of ouder waren is deze spilleeftijd 61 jaar. Deze beschikbare 2x 70% (140%) kan tussen het bereiken van de leeftijd van 56 jaar en de spilleeftijd in tijd worden opgenomen – met inachtneming van het navolgende: (…) c. bij een keuze voor een beschikbaar percentage van 50% of meer is er sprake van vervroegd uittreden met de FPU-regeling. Het beschikbare percentage wordt dan gezien als een aanvulling op de FPU-regeling. (…) 3. (…) Als er sprake is van vervroegd uittreden vindt over de periode die door de seniorenregeling à la carte wordt gefinancierd (maximaal 2 jaar) pensioenopbouw plaats. Deze opbouw geschiedt door inkoop van pensioenrechten aan het einde van het dienstverband. Als de werknemer te kennen geeft van het bepaalde in dit lid geen gebruik te willen maken, wordt in dat geval een compensatie van 1,5 maandsalaris toegekend, uit te keren bij het beëindigen van het dienstverband. Voortgezette opbouw voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen tijdens de FPU-periode is volgens het ABP-pensioenreglement alleen mogelijk voor de werknemers die op 1 april 1997 50 jaar of ouder waren.’ Partien twisten thans over de uitleg van deze bepaling. Volgens werknemer dient Kema over de periode dat hij eerder uit dienst is gegaan (60 jaar en drie maanden) tot aan de spilleeftijd additioneel pensioen in te kopen.
Het hof oordeelt als volgt. Blijkens de tekst van artikel 2 onder c bijlage 5 cao, wordt de situatie waarin wordt gekozen voor een percentage van 50% of meer aangemerkt als ‘vervroegd uittreden met de FPU-regeling’ en wordt het ‘beschikbare percentage dan gezien als een aanvulling op de FPU-regeling’. De seniorenregeling definieert in de aangehaalde bepalingen de hier bedoelde vervroegde uittreding derhalve zelf als een toepassing van de FPU-regeling. Tegen die achtergrond ligt een uitleg waarbij het woord ‘FPU-periode’ in artikel 3 van bijlage 5 zich eveneens uitstrekt over de periode voor de spilleeftijd FPU waarin werknemers met gebruikmaking van de seniorenregeling vervroegd uittreden, meer voor de hand dan de door werknemer bepleite uitleg. Aldus hebben de regels voor voortgezette pensioenopbouw ook betrekking op de voortgezette pensioenopbouw tijdens de periode na vervroegde uittreding op grond van de seniorenregeling. Bij het onderhavige gebruik van de seniorenregeling wordt in de regeling zelf dus geen onderscheid (meer) gemaakt tussen de twee perioden (seniorenregeling – FPU-regeling vanaf de spilleeftijd). De aan de FPU ontleende, in de laatste volzin van artikel 3 van bijlage 5 bij de cao neergelegde beperking met betrekking tot de voortzetting van de pensioenopbouw tot personen die op 1 april 1997 50 jaar of ouder waren, geldt daarmee dan ook tevens voor de daaraan voorafgaande periode waarin op de hier bedoelde wijze van de seniorenregeling gebruik wordt gemaakt.